Het was een heel normaal kastje

Het OM heeft opzettelijk misbruikzaken van priesters en geestelijken laten verjaren.

Dat bleek gisteren, uit een rapport dat de Tweede Kamer aangeboden heeft gekregen.

Het was oud-procureur-generaal Hans Blok die Dato Steenhuis, zelf tot 2006 lid van het College van procureurs-generaal, het bestaan van ‘het kastje’ openbaarde. Een speciaal kastje, in het Paleis van Justitie in Den Bosch waarin zedenzaken lagen van katholieke priesters en geestelijken die niet werden vervolgd.

Steenhuis zocht de gepensioneerde Blok onlangs op vanwege zijn onderzoek naar de manier waarop het Openbaar Ministerie in het verleden is omgegaan met misbruikzaken binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Steenhuis was dit voorjaar door het College van procureurs-generaal gevraagd onderzoek te doen. Zijn rapport is gisteren aangeboden aan de Tweede Kamer.

Blok vertelde Steenhuis hoe hij veertien jaar geleden, in 1997, zijn opwachting maakte als nieuwe procureur-generaal in Den Bosch. Daarmee werd hij de opvolger van Rolph Gonsalves, en de baas over het Openbaar Ministerie in de zuidelijke, katholieke provincies.

Het kastje stond in de kamer van de procureur-generaal. Het was een gewoon houten ladekastje, zoals dat ook wel onder bureaus staat. Blok werd op het kastje gewezen door Rein Peters, die na het vertrek van Gonsalves had waargenomen als procureur-generaal. In het kastje, dat ze samen openden, lagen processen-verbaal van zedenmisdrijven van katholieke geestelijken.

Het waren, schrijft Steenhuis in zijn rapport, zaken uit de jaren vijftig en zestig waarmee niets gedaan was door opeenvolgende procureurs-generaal. Voorgangers van Gonsalves waren J. Corsten (1978-1986) en A. van Overveldt (1965-1978).

Volgens Steenhuis lagen er toen Blok aantrad nog „zes à zeven zaken” in het kastje. Blok vond het wel „merkwaardig”, zo’n kastje met documenten. Hij liet, schrijft Steenhuis, de dossiers opbergen omdat er zoveel jaar later „niets meer mee valt te doen”. Ze waren volgens Blok al verjaard toen hij ze bekeek. „Ik sluit niet uit dat de zaken in het kastje waren gelegd om ze te laten verjaren”, zegt Steenhuis in een toelichting op zijn rapport.

Het kastje is een nieuwe aanwijzing dat het Openbaar Ministerie tussen ruwweg 1945 en 1985 gefaald heeft bij het vervolgen van katholieke priesters en geestelijken die zich schuldig maakten aan zedenmisdrijven. Eind vorig jaar bleek dat Justitie in de jaren tachtig ‘panklare’ zedenzaken van priesters in Rijswijk en Brunssum geseponeerd had. Voormalig voorzitter van het College van procureurs-generaal, Harm Brouwer, keurde het seponeren af, maar sprak over „incidenten”.

Het rapport van Steenhuis voegt nieuwe aanwijzingen toe dat het vooral vóór 1980 niet om incidenten ging. Steenhuis beschrijft een kwestie bij het parket Maastricht. In 1981 zei toenmalig hoofdofficier E. Bauwens tegen officier van justitie J. Huurman, die een zedenzaak tegen een priester op haar bord had gekregen: „Geef maar hier, deze doet de Kerk zelf af.” Huurman is nu vicepresident van het gerechtshof in Den Bosch.

Het zat Steenhuis niet mee in zijn onderzoek, blijkt uit zijn rapport. Van zijn wetenschappelijke opzet voor een archiefonderzoek bleef weinig over door het ontbreken van dossiers. Geseponeerde zaken vóór 1980 zijn niet bewaard. Toch liet hij nog 2.222 dossiers uit 1985, 1987 en 1990 doorzoeken. Dat leidde tot welgeteld twee zaken. Dossiers jonger dan 1990 onderzocht hij vervolgens maar niet omdat „niet te verwachten was dat er opeens veel zedenzaken van priesters zouden opduiken”. Uit zijn steekproef concludeert Steenhuis dat het aantal zaken tegen katholieke geestelijken tussen 1980 en 2011 op de vingers van één hand te tellen is.

Daarna had Steenhuis gesprekken met zeventien (oud-)collega’s van het Openbaar Ministerie en politiemedewerkers, in vooral het zuiden van het land. Van hen herinnerde zich nauwelijks iemand zedenzaken tegen katholieke priesters of geestelijken van na 1980. De gesprekken leverden slechts twee gevallen op die nog niet in de publiciteit genoemd zijn. Volgens de gesprekspartners „waren de zaken er gewoon niet”.

Waarom waren er zo weinig aangiften? Steenhuis schrijft dat ná 1980 het aantal potentiële daders flink af nam door het sluiten van de katholieke internaten. Daarmee verdween ook de beschutte situatie waarin veel misbruik kon plaatsvinden. Steenhuis meldt ook dat de dominante positie van de Kerk het voor kinderen en ouders moeilijk maakte om aangifte te doen. „Opstaan tegen de Kerk waarvan gelovigen in zoveel opzichten afhankelijk waren, was niet eenvoudig.”

De opdracht voor het rapport kwam in februari dit jaar van het College van procureurs-generaal. Dat gaf daarmee gehoor aan een verzoek van de Tweede Kamer. De Kamer was gealarmeerd door de krantenberichten over het seponeren van de zaken van de twee pedofiele priesters. Er was ook een verklaring van voormalig bisschop Jo Gijsen van Roermond. Die zei tussen 1972 en 1993 over misbruikzaken „contacten” te hebben gehad bij de parketten in Maastricht en Roermond.

Steenhuis sprak niet met Gijsen of met andere kerkbestuurders: „Ik wilde mijn onderzoek simpel houden en er was haast bij. Ik moest voor het reces van de Kamer klaar zijn.”

Steenhuis sprak wel met de (oud-) medewerkers van politie en justitie die voornamelijk vanaf 1980 actief waren. Zij ontkennen zelf katholieke geestelijken een ‘voorkeursbehandeling’ te hebben gegeven. Ook zeggen ze – anders dan een kennismakingsgesprek – nooit contacten te hebben gehad met kerkelijke autoriteiten. Ze bevestigen niet dat de Kerk geprobeerd heeft eventuele aangiftes weg te frustreren of onderzoeken tegen te houden. Ook de suggestie dat binnen het OM aparte regelingen voor priesters bestonden, wordt volgens Steenhuis „niet ondersteund”.

Steenhuis wil achteraf aan deze conclusie uit zijn rapport nog wel iets toevoegen: „Ik kan niet uitsluiten dat met name vóór 1980 priesters en geestelijken wél op een aparte behandeling konden rekenen. Misschien had mijn conclusie iets genuanceerder gekund.”