Hét gezicht van de jaren zeventig

Het Eye Film Instituut wijdt het zomerfestival aan Jack Nicholson. Wat is het geheim van deze geniale acteur, vraagt Coen van Zwol zich af.

Wat was er gebeurd als Jack Nicholson de hoofdrol van Michael Corleone in The Godfather had geaccepteerd? Of die van Travis Bickle in Taxi Driver, kapitein Willard in Apocalypse Now, Gordon Gekko in Wall Street, Hannibal Lecter in The Silence of the Lambs? Moeilijk is het niet om je hem als maffiabaas tegen wil en dank of vereenzaamde taxichauffeur voor te stellen: hooguit had het grote zomerprogramma van het Eye Film Instituut rond Jack Nicholson er iets anders uitgezien. Maar hoe was het Al Pacino en Robert De Niro vergaan zonder hun grote doorbraakrol?

Jack Nicholson (1937) houdt van Hollywood en Hollywood van hem. Verspreid over vijf decennia gaf de Academy hem drie Oscars en twaalf Oscarnominaties: een record. Als 74-jarige heeft Jack Nicholson weinig meer te bewijzen. Als hij nog een rol aanneemt, is dat vaak een vriendendienst. Met zijn laatste voor een Oscar genomineerde rol, de door het leven gepasseerde, trieste Warren in About Schmidt (2002) heeft hij alles wel gezegd. De rest is lichte komedie en zelfspot: The Bucket List (2007), The Departed (2006) of Something’s Gotta Give (2003).

Dat zijn niet de personages waarmee hij doorbrak. Dat waren tegendraadse, tegenstrijdige figuren: egoïstische vrijheidsstrijders, romantische vrouwenhaters. Personages die nergens eerder waren vertoond: „wonderful, weird and wild”, zoals hij ze zelf eens omschreef. Jack Nicholson wilde voor alles ongrijpbaar zijn: de man die overal mee wegkomt. Ook in de echte wereld glijden schandalen van hem af: de drugs, de orgieën, de affaires met steeds jongere vrouwen, vriend Roman Polanski die naast zijn jacuzzi een 13-jarige verkrachtte, de Mercedes die hij in 1994 met een golfclub te lijf ging.

Nicholson is loyaal en genereus, op de set wordt hij geprezen om zijn professionaliteit, bescheidenheid en hulpvaardigheid. Maar er is altijd iets van reserve. „Ik wil niet dat de mensen weten hoe ik echt ben. Dat helpt mij niet als acteur”, zei hij ooit. Daarom vermijdt hij zijn leven lang al talkshows op televisie. Televisie zou hem domesticeren tot „ieders favoriete Jack”, een voorspelbaar, saai en onvrij personage.

Jack Nicholson is meer dan gewoon een filmster: hij is een Amerikaans icoon in de buitencategorie Humphrey Bogart en Marlon Brando. Zijn gezicht roept het tijdperk op waarvoor hij een mannelijk ideaal definieerde. Na de cynisch knauwende insider Bogart en de introvert lispelende rebel Brando zou Jack Nicholson het gezicht worden van de jaren zeventig. Een kwikzilveren clown die het systeem naar zijn hand zet, graag aardig wordt gevonden en amuseert, maar op eigen voorwaarden. Als de wereld hem dwars zit, kan hij koelbloedig de vreselijkste dingen aanrichten of ontploffen in razernij. Dan veegt hij een dinertafel leeg (Five Easy Pieces) of wurgt hij een zuster (One Flew Over the Cuckoo’s Nest) – zonder dat je hem dat overigens echt kwalijk neemt. Want Jack Nicholson is zelfs als slechterik eerder ondeugend. Zoals hij brullend en zingend – ‘here’s Johnny!’ – zijn gezin met een bijl achterna zit in The Shining of Gotham City probeert te vergassen als The Joker in Batman. Een held voor de babyboomers van het Ik-tijdperk is hij, de eerste generatie mensen die diep in hun hart hun hele leven jong, vrij en onverantwoordelijk wilden zijn.

Wat is zijn geheim? Collega Gene Hackman zei ooit dat hij elke Jack Nicholson-film bezocht in de hoop daarachter te komen: hoe pakt zo’n schurk iedereen in, waarom vallen alle vrouwen voor hem? Hackman: „Hij verklapt het geheim nooit, toch hoop je telkens dat dit de film is waarin je het ontdekt.”

Jack Nicholson moet een complexe relatie met vrouwen hebben. Hij groeide op tussen oudere zussen; pas in 1974, toen hij 37 jaar was, vertelde een journalist hem dat zijn zus June eigenlijk zijn moeder was, zijn moeder Ethel zijn oma en de andere zus zijn tante. Zo kon June – zonder succes – carrière maken als danseres; zelfs op hun sterfbed in 1963 en 1970 vonden June en Ethel het niet nodig hem de waarheid te zeggen.

„Vrouwen haten ons, wij haten hen. Ze zijn sterker, slimmer en, het belangrijkste, ze spelen vals”, zei Nicholson ooit. Toch vonden vrouwen hem altijd onweerstaanbaar, hoe schaamteloos hij als Alfa-aap ook op de bres stond in de toen hoog oplaaiende oorlog der seksen. Of misschien daarom: Nicholson toonde zonder enige gêne of ijdelheid zijn innerlijke zwijn. Als nare vrouwenhater Jonathan in Carnal Knowledge (1971), hoerenloper ‘Badass’ Budusky met zijn geile glimoogjes in The Last Detail (1973), maar vooral als McMurphy in One Flew Over The Cuckoo’s Nest (1975), waar hij de door kille hoofdzuster Ratched gecastreerde ingezetenen van een gesticht met echte mannengeneugten als honkbal, vissen, drank en hoeren in contact brengt. Toen Nicholson in 1987, inmiddels grijs en met buikje, als brullende duivel achter zijn harem aanzat in The Witches of Eastwick was dat zelfparodie – net als zijn met een Oscar bekroonde rol van Melvin, schrijver van liefdesromannetjes, in As Good as it Gets (1997).

Jack Nicholson was er zelf bij, de avond dat hij een filmster werd. Het was in mei 1969 in Cannes, waar de hippiefilm Easy Rider in première ging. Nicholson, toen 32 jaar en met snel wijkende haarlijn, geloofde niet echt meer in zijn doorbraak. Sinds zijn debuut in de incompetente probleemjeugdfilm The Cry Baby Killer (1958) had hij zich tien jaar lang niet weten te ontworstelen aan B-films: actie, gotische horror, existentialistische westerns, motorbende- en drugsfilms van Roger Corman, die op fabrieksmatige wijze goedkope exploitatiefilms maakte. Bij Easy Rider raakte Nicholson betrokken als kruipolie namens de financiers: hij moest de paranoïde regisseur Dennis Hopper in toom houden. Nicholson kreeg daartoe een bijrol als alcoholistische dorpsadvocaat George Hanson die in een politiecel met een kater ontwaakt en twee motorhippies aantreft – waarna hij achterop de Harley Davidson van Captain America springt en rond het kampvuur zijn eerste joint rookt: turn on, tune in, drop out.

Nicholson blies zijn tegenspelers met speels gemak weg: „Mijn eerste scène kwam in Cannes en het publiek ging van – tssssssss. Dat was prachtig”, herinnerde hij zich later.

In Cannes maakte de wereld kennis met een geniaal karakteracteur. Een gezicht dat nooit stil stond: golvende wenkbrauwen, een duivelse grijns, de tong spottend tegen de tanden gerold, de ogen die bijkans uit hun kassen rolden – om dan plots melancholiek in de vlammen te staren terwijl hij met lijzige, slepende stem zo nadrukkelijk klemtonen legt dat alles wat hij zegt als het woord Gods klinkt: „This used to be one helluva good country.”

Een jaar later, in 1970, bewees Nicholson ook zelf een film te kunnen dragen. In Five Easy Pieces was er nauwelijks clownerie, gebaartjes beperkte hij tot een minimum. Bobby Dupea is de zoon van een briljante muzikant die uit angst tekort te schieten zijn intellectuele familie ontvluchtte. Hij is pianist, maar werkt als arbeider op olievelden en leeft met een afhankelijke, slobberig sluwe serveerster. Dupea minacht haar, zichzelf, zijn vrienden; hij leeft in een vormloos, lelijk niemandsland van supermarkten, asfalt en tankstations. Een man die altijd rollen speelt, maskers opzet, zijn accent aan zijn gezelschap aanpast; die steeds in beweging is terwijl zijn leven nergens heengaat. Hij laat maar heel even zijn ware gezicht zien in een nog altijd verpletterende biecht aan zijn aan een rolstoel gekluisterde, catatonische vader.

Nicholson is altijd een formidabel acteur gebleven, maar zijn grensverleggende rollen, ‘weird and wonderful’, waren in de jaren zeventig: vijf Oscarnominaties in zes jaar, culminerend in McMurphy in One Flew Over the Cuckoo’s Nest. Toen Jack Nicholson halverwege de jaren tachtig terugkeek, stelde hij vast dat hij als acteur de „innerlijke geschiedenis” van dat tijdperk mede had geschreven. Hij had in 1969 het geluk op de top van een ‘sociologische golf’ te belanden, waar hij lang op bleef surfen. In nogal pessimistische films: in Easy Rider wordt Amerika bevolkt door intolerante rednecks, in Five Easy Pieces blijkt de Amerikaanse droom van beweging en grenzen verleggen een uiting van ziekelijke onvrede en frustratie. Dat soort films sloegen aan bij een cynische en teleurgestelde generatie: de Summer of Love was omgeslagen in rassenrellen en moorden, Nixon en de ‘zwijgende meerderheid’ regeerden. De droom was voorbij, de wereld viel de babyboomers niet zomaar in de schoot. Die begonnen hun lange mars door de instituties, om het systeem naar hun hand te zetten. Maar bleven uiteraard in hun hart altijd eenling, rebel en bohémien, zoals Jack Nicholson.

Wat Nicholson elke film brengt, is intelligentie, zei Stanley Kubrick ooit. Dom speelt hij niet goed: als dommige gangster Charly Partana in Prizzi’s Honor (1985) overtuigt hij niet. Zijn barokke acteerstijl suggereert complexiteit.

Als jongeman kreeg Nicholson in zijn acteerlessen – van Jeff Corey en, na talloze afwijzingen, van Actors Studio West, het Californische filiaal van Lee Strasberg, goeroe van de method acting – altijd te horen dat hij, in eigen woorden, „niet telkens de Derde Wereldoorlog op de planken hoefde te brengen”. Dat less is more-ideaal onderschreef ook hij: zo nam Nicholson in 1975, toen hij al superster was, de hoofdrol in Professione: Reporter van Michelangelo Antonioni op zich. Een frustrerende ervaring, want de Italiaan zag acteurs als een soort decorstukken die geen spier mochten vertrekken, laat staan acteren. Nicholson geloofde zelf ook dat ingetogen beter was.

Des te onthullender is het Jack Nicholson hardop te zien peinzen tijdens de opname van The Shining, de klassieke, destijds door de filmkritiek neergesabelde horrorfilm van Stanley Kubrick waarin Nicholson geaffecteerder speelde dan ooit. Elke generatie acteurs wil naturel overkomen omdat de vorige kunstmatig zou acteren, zegt Nicholson in de Londense studio. „Dus wat je krijgt is steeds nieuwe soorten van kunstmatig die zich voordoen als naturel. En zelf raak je ook bezeten van realisme, tot je iemand als Stanley Kubrick ontmoet. Die zegt: ‘jawel, dat is naturel, maar niet interessant’.”

Toch, zo zei Nicholson in 1986 tegen The New York Times, is hij op zijn manier ook een method actor. In elke rol ontdekt hij eerst zijn persoonlijke ‘geheim’, zijn eigen waarheid. McMurphy van One Flew Over The Cuckoo’s Nest lijkt een tragische rebel tegen een onderdrukkend systeem. Maar Nicholson speelde iemand anders, verklapte hij: een pathologische versierder die denkt ook hoofdzuster Ratched om zijn vinger te winden en gefrustreerd en gewelddadig wordt als dat mislukt. Wat McMurphy een veel dubieuzer, complexer personage maakt dan de saaie martelaar in Ken Kesey’s roman. Bevrijdt hij de kwetsbare patiënten of misbruikt hij ze in een vendetta? Bij Jack Nicholson zit die tweede laag er altijd in.