Het CDA-huis

Arme Maxime Verhagen. Niemand die het voor hem opneemt, behalve Mirjam Sterk en Sybrand van Haersma Buma, maar die kunnen niet anders, het is hun baas. Zal ik het dan maar proberen?

Vooral in deze tijd is het vreemd om politici met artiesten te vergelijken, het lijkt er eerder op dat politici juist een afkeer hebben van artiesten. Toch zijn er wel degelijk overeenkomsten. Artiesten wachten altijd in angst en beven de eerste recensies over hun voorstelling af. In dezelfde onzekerheid zag Verhagen de reacties op zijn rede tegemoet. Wat zouden ‘de kranten’ schrijven?

Toen hij alles gelezen had en zijn vrouw na enkele schouderklopjes vertrokken was, knapte er iets in hem. Hij voelde zich als een Nederlandse politietrainer die een week voor zijn vertrek naar Kunduz te horen heeft gekregen dat hij op de dodenlijst van de Talibaan staat.

Men vroeg het onmogelijke van hem. Hij moest een verscheurde partij bij elkaar houden, Donner tevreden stellen, maar tegelijk Koppejan en Ferrier te vriend houden, het kanaal naar Eurlings („Camiel, wanneer kom je terug?”) openhouden, maar ook die vreselijke Ab Klink niet verder van zich vervreemden.

Hij herinnerde zich de lange, wanhopige uren met zijn politieke assistent, die met hem de tekst zou schrijven. Na een kort, maar intens gebed waren ze aan de slag gegaan.

„Wat zijn de uitgangspunten?” vroeg de assistent.

Verhagen keek hem zo onbewogen mogelijk aan. „We gaan het populisme veroordelen, maar tegelijkertijd omarmen. We moeten zoveel mogelijk begrip tonen voor de onzin waarin het volk gelooft. We geven Wilders een schop onder zijn hol, maar zijn voedingsbodem slikken we door alsof het een Limburgse vlaai is.”

„Hoe gaan we dat doen?”

„We delen de rede in tweeën en schrijven ieder een deel”, zei Verhagen. „We schuiven die delen niet in elkaar, maar zetten ze achter elkaar. We beginnen met het pro-populisme deel en daarna volgt het anti-populisme deel.”

„En wie schrijft wat?”

Verhagen lachte kort. „Wat denk je? Dat pro-populisme deel ligt me wel. Jij mag in jouw deel de Ab Klink uithangen, dat doe je toch graag?”

„Maar wordt het niet verwarrend voor de partijleden?”

„Uit de verwarring kan ook de bloem van de consensus groeien.”

Twee weken later zaten ze weer tegenover elkaar, de A4’tjes op schoot. Sonoor begon Verhagen voor te lezen: „Zit die buitenlandse ziekte nu ook in onze groente of in ons vlees?” Hij keek zijn assistent strak aan. „Vind je het geen mooie metafoor? De allochtoon als taugé?” Zo namen ze de hele tekst door. Alleen toen hij op de ‘linkse elite’ afgaf, zei de assistent: „Dat is wel heel erg Wilders.” „Dan maken we er progressieve elite van”, zei Verhagen.

Het werd een vruchtbare bespreking, aan het einde waarvan de teksten als twee kloeke pilaren naast elkaar stonden. Zij zouden voortaan het gebouw van de partij moeten stutten. Eén voor het volk, één tegen het volk. Het leek een innerlijk tegenstrijdig signaal, maar Verhagen zag het eerder als een verdedigbare vorm van jezuïtisme, een sluwe manier om een ingewikkeld probleem te omzeilen.

„Eén puntje nog”, zei de assistent, en hij wees op het zinnetje: ‘Dat besef ik me als leider van het CDA-smaldeel in het kabinet terdege.’

„Wat is daar mis mee?” vroeg Verhagen.

„Mag dat ‘me’ eruit?”

Dat mocht. Toen hadden ze een tekst die stond als een CDA-huis.