Een R.K.-vergeetkastje bij justitie

Oud-procureur-generaal Dato Steenhuis onderzocht hoe justitie zedenzaken tegen katholieke geestelijken afhandelde. Hij vond een kastje waarin misbruikzaken werden opgeborgen.

Het was oud-procureur-generaal Hans Blok die Dato Steenhuis, zelf tot 2006 lid van het College van procureurs-generaal, het bestaan van ‘het kastje’ openbaarde. Een speciaal kastje, in het Paleis van Justitie in Den Bosch, waarin zedenzaken lagen van katholieke priesters en religieuzen die niet werden vervolgd.

Steenhuis zocht de gepensioneerde Blok onlangs op, in verband met zijn onderzoek naar de manier waarop het Openbaar Ministerie (OM) in het verleden is omgegaan met misbruikzaken binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Het rapport van Steenhuis is gisteren aangeboden aan de Tweede Kamer.

Blok vertelde Steenhuis hoe hij veertien jaar geleden, in 1997, zijn opwachting maakte als nieuwe procureur-generaal in Den Bosch. Daarmee werd hij de opvolger van Rolph Gonsalves, en de baas van het OM in de zuidelijke provincies.

Het kastje stond in de kamer van de procureur-generaal. Het was een gewoon houten ladekastje, zoals dat ook wel onder bureaus staat. Blok werd op het kastje gewezen door Rein Peters, die na het vertrek van Gonsalves had waargenomen. In het kastje lagen processen-verbaal van zedenmisdrijven van katholieke geestelijken.

Het waren volgens Steenhuis „zes à zeven zaken” uit de jaren 50 en 60 waarmee niets gedaan was door opeenvolgende procureurs-generaal. Blok vond het „merkwaardig” dat de processen-verbaal in een afgesloten kastje bij de procureur-generaal lagen. Hij liet de dossiers opbergen. Ze waren volgens Blok verjaard. Steenhuis meldt dat de dossiers later op grond van de Wet politiegegevens zijn vernietigd. „Ik sluit niet uit dat de zaken in het kastje waren gelegd om ze te laten verjaren”, zegt hij.

Eind vorig jaar bleek al dat justitie in de jaren tachtig ‘panklare’ zedenzaken van priesters in Rijswijk en Brunssum geseponeerd had. Het College van procureurs-generaal keurde in een reactie het seponeren af, maar sprak over „incidenten”.

Het bestaan van ‘het kastje’ is een aanwijzing dat het niet om incidenten ging. Steenhuis beschrijft ook een kwestie bij het parket Maastricht. In 1981 zei toenmalig hoofdofficier E. Bauwens tegen officier van justitie J. Huurman, die met een zedenzaak tegen een priester naar hem toe ging: „Geef maar hier, deze doet de Kerk zelf af.”

Het zat Steenhuis niet mee in zijn onderzoek. Van zijn wetenschappelijke opzet voor een archiefonderzoek bleef weinig over door het ontbreken van dossiers. Geseponeerde zaken vóór 1980 zijn niet bewaard. Hij liet 2.222 dossiers uit 1985, 1987 en 1990 doorzoeken. Dat leidde tot welgeteld twee zaken. Dossiers jonger dan 1990 onderzocht hij niet omdat „niet te verwachten was dat er opeens veel zedenzaken van priesters zouden opduiken”. Steenhuis concludeerde dat het aantal zaken tegen katholieke geestelijken tussen 1980 en 2011 minimaal is.

Daarna sprak hij met zeventien (oud-)collega’s van het OM en met politiemedewerkers. Van hen herinnerde nauwelijks iemand zich zedenzaken tegen katholieke geestelijken. Volgens de gesprekspartners „waren de zaken er gewoon niet”.

Waarom waren er zo weinig aangiften? Steenhuis schrijft dat ná 1980 het aantal potentiële daders flink afnam door sluiting van de katholieke internaten. Daarmee verdween ook de beschutte situatie waarin misbruik kon plaatsvinden. Steenhuis meldt ook dat de dominante positie van de Kerk het kinderen en ouders moeilijk maakte aangifte te doen. „Opstaan tegen de Kerk waarvan gelovigen in zoveel opzichten afhankelijk waren, was niet eenvoudig.”

De opdracht voor het onderzoek kwam van het College van procureurs-generaal. Dat gaf daarmee gehoor aan een verzoek van de Tweede Kamer. Die was gealarmeerd door krantenberichten over het sepot van zaken tegen pedofiele priesters. Ook was er een verklaring van voormalig bisschop Jo Gijsen van Roermond. Die zei over misbruikzaken „contacten” te hebben gehad met de parketten Maastricht en Roermond.

Steenhuis sprak niet met Gijsen of andere kerkbestuurders: „Ik wilde mijn onderzoek simpel houden en er was haast bij.”

De (oud-)medewerkers van justitie en politie die Steenhuis sprak, waren voornamelijk vanaf 1980 actief. Zij ontkennen contacten te hebben gehad met kerkautoriteiten, anders dan een kennismakingsgesprek. Ze bevestigen evenmin dat de Kerk geprobeerd heeft aangiftes ‘weg te frustreren’ of onderzoeken tegen te houden. Ook de suggestie dat binnen het OM aparte regelingen voor priesters bestonden, wordt volgens Steenhuis „niet ondersteund”.

Steenhuis wil achteraf aan deze conclusie uit zijn rapport nog wel iets toevoegen: „Ik kan niet uitsluiten dat met name vóór 1980 priesters en religieuzen wél op een aparte behandeling konden rekenen. Misschien had mijn conclusie iets genuanceerder gekund.”