De smalle marges van Wellink

Begonnen in een crisis, geëindigd in een crisis. Toen Nout Wellink in 1982 toetrad tot de directie van De Nederlandsche Bank (DNB), maakte de economie de zwaarste recessie door sinds de oorlog, was de inflatie in de industriële wereld volledig uit de hand gelopen en was het Nederlandse begrotingstekort huizenhoog.

Het afscheid van Wellink, die vandaag zijn laatste dag beleeft na veertien jaar als president van de centrale bank, vindt plaats onder nauwelijks betere omstandigheden: de wereld is amper bijgekomen van de kredietcrisis van 2008 en een economische recessie die de terugval van dertig jaar geleden overtrof. Een schuldencrisis teistert Europa en de regering in Den Haag voert de zwaarste bezuinigingen ooit door.

Crises komen en gaan. Nederland mag zich gelukkig prijzen een centrale bankier aan het roer te hebben gehad van het kaliber van Wellink. Zeker, de toezichtskwesties van de afgelopen drie jaar, waaronder de Icesave-zaak, de noodlottige overname van ABN Amro en het bankroet van DSB, hebben bij het publiek, en daarna ook bij de politiek, de statuur van Wellink beschadigd. Dat is grotendeels onterecht. Meer dan vaak wordt beseft, is een centrale bank begrensd door, internationale, wetten en regels en is haar speelruimte beperkt.

Dat Wellink op zijn beperkte speelruimte bleef wijzen is beschouwd als koppigheid, in plaats van realisme, waardoor hij de ideale kop-van-jut werd. Hooguit kan hem worden verweten dat hij de gezamenlijke missie die centrale bankiers internationaal onderling bindt, ook heeft verondersteld aanwezig te zijn bij acute toezichtskwesties waar het nationale belang mede in het geding is. Zij het dat DSB wel louter een nationale kwestie was.

Dat laat onverlet dat Wellink de traditie voortzette dat Nederlandse monetaire kopstukken ook internationale zwaargewichten zijn. Hij was voorzitter van het belangrijke Bazelse Comité dat nu nieuwe kapitaalseisen voor banken formuleert. Zijn statuur en lange staat van dienst zorgden ervoor dat Nederland in gremia als de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds een invloed uitoefende die het formele gewicht van ons land ver te boven ging.

Recente ingrepen van de minister van Financiën hebben de nationale statuur en de internationale invloed van de centrale bank geen goed gedaan. De Jager (CDA) beperkte vorig jaar het aantal termijnen van de president van DNB nogal ruw tot tweemaal zeven jaar en maakte zo een derde termijn voor Wellink onmogelijk. Vervolgens voerde de minister een gebrekkige regie over de benoeming van een opvolger. Het zal daardoor onnodig veel tijd en moeite vergen om het gat dat Wellink achterlaat te vullen. Een opdracht die, gezien het kaliber van de scheidende president, toch al niet eenvoudig was.