Als je slecht presteert gooien ze je met stenen stadion uit

Hockeybondscoach Michel van den Heuvel plaatste zich met Pakistan als eerste voor ‘Londen’. Ondanks dat succes blijft zijn toekomst onzeker.

Het liefst zit hij in de televisietoren, hoog achter het doel. Omdat hij daar het beste zicht heeft op de wedstrijd. Nee, het heeft geen politieke oorzaken dat Michel van den Heuvel tijdens het duel van zijn Pakistaanse ploeg tegen Engeland wegblijft van de bank. Hij houdt zich niet bewust afzijdig. „Ik zit nooit op de bank. In die kuil zie je niks. Ik zit boven het veld om het tactische proces zo goed mogelijk te begeleiden. Ik heb spijt dat ik dat bij Nederland niet ook heb gedaan.”

Hij laat het N-woord vallen. Nederland. Zijn vertrek als bondscoach in Nederland, vorig jaar na het WK in New Delhi, moet de grootste deceptie uit zijn hockeycarrière zijn. Maanden was hij onbereikbaar voor de media, ook na zijn benoeming in Pakistan. Hij was nooit dik met de media. „Ik heb in oktober vorig jaar besloten geen interviews meer te geven. In Pakistan. Ik word nooit goed geciteerd, er worden verhalen verdraaid en verzonnen. Dus daar ben ik mee gestopt’’, zegt Van den Heuvel, gehuld in het donkere trainingspak van de Pakistaanse ploeg.

Dat verklaart een deel van zijn schuwe opstelling, hoewel hij alle reden had trots te zijn. Hij was koud aangetreden of hij schonk het hockeygekke land een geweldige prijs: goud op de Aziatische Spelen in Guangzhou, voor het eerst in twintig jaar. Als bonus plaatste Pakistan zich als eerste voor de Olympische Spelen van Londen (2012). Maar bij het heldenonthaal in Lahore was de bondscoach in geen velden of wegen te bekennen. „Dat weekend waren mijn ouders vijftig jaar getrouwd, dus ik ben een uur na de finale in het vliegtuig gestapt. Of ik daar spijt van heb? Nee, daarvoor ben ik geen coach van Pakistan geworden. Ik vind de spelers belangrijker dan de ‘blèrders’ thuis. Die staan over een paar maanden te roepen dat ik weg moet.”

Hij weet precies welk gevecht hij voert in Pakistan, waar de Nederlanders Hans Jorritsma en Roelant Oltmans eerder bondscoach waren. „Je hebt twee hoofdkampen in het hockey. De groepering die nu aan de macht is heeft mij naar Pakistan gehaald. De andere groepering gaat schieten zodra er iets fout gaat. In het begin heb ik daar nog wel aandacht aan besteed, maar daar ben ik mee opgehouden. Als het andere kamp de macht krijgt zal ik ontslagen worden. Je weet dat als je daar naartoe gaat, dat je aan het einde wordt ontslagen.” Dan, monter: „Het is nu rustig. De kans is wel aanwezig dat ik naar Londen ga.”

Het klinkt nuchter, zonder verwijten. Zolang rond de ploeg maar rust heerst. Vanaf dag één ageerden oud-spelers en andere belanghebbenden tegen zijn komst. Bij Pakistan hoort geen buitenlander op de bank te zitten, vond men. „Alles wat je leest is onzin. Ik las dat ik twijfelde over mijn baan omdat de gouverneur van Punjab was gedood bij een aanslag. Ik wist niet eens dat hij dood was. Er zijn wel tien van die bommetjes neergelegd in de pers, over mij. Er is niks van waar. Mijn familie werd erbij gehaald, ik had zelfs familieproblemen. Je mag gewoon onzin schrijven in Pakistan. Daarom weiger ik persconferenties. Mijn manager doet dat uitstekend, in het Urdu [officiële Pakistaanse taal].”

Nee, het is niet elke dag leuk. „Er zijn momenten dat het minder is, dat je alleen bent. Ik zit in Lahore in een goed hotel, vlak bij het veld. Dat is in de red zone, goed beveiligd. De prime minister zit bij mij om de hoek, dus daar is het vrij moeilijk ze te raken. Maar ik ben niet zo veel in Pakistan. We zijn veel onderweg.’’

De gewelddadigheden vormen het grootste probleem. Geen enkele sporter wil naar Pakistan komen, dus de ploeg speelt nooit in eigen land. „Het klinkt raar, maar ik vind het helemaal niet erg. Als je het goed doet krijg je vertrouwen. Maar als je het niet goed doet, gooien ze stenen naar je, gooien ze je het stadion uit.’’

Hij zag zijn ploeg grote sprongen maken. Gisteren, tegen de Engelsen (2-2), stond er een frisse ploeg met een strak georganiseerde verdediging. Die structuur was jarenlang onzichtbaar bij de tovenaars van het Aziatische subcontinent. Lachend: „Zou het kunnen zijn dat ze mij daarom hebben uitgenodigd?”

Maar juich nooit te vroeg. Vorige week verloor Pakistan in Dublin met 4-2 van Frankrijk, geen hoogvlieger. „Dan breekt in Pakistan meteen de pleuris uit. Ik was er niet bij, lag ziek in bed. Het was ijskoud, regen, slechte wedstrijd. Meteen alle credits van een half jaar weg. Zo gaat dat.’’

Maar Pakistan doet weer mee, na die vernederende laatste plaats op het WK in New Delhi. „Ik had niet verwacht dat we zo snel sprongen konden maken. Nu leg ik de lat veel hoger. Deze week lopen we nog wel tegen een zeperd aan. Maar ik denk dat we in Londen iedereen goed tegenstand kunnen bieden.”

Ook Nederland, zijn oude ploeg. Uiteindelijk moest hij het veld ruimen, wegens „een verschil van inzicht over het te voeren beleid”. Hij was er onvoldoende in geslaagd naar het hoogste niveau te stuwen. „Ik vond het vorig jaar moeilijk terug te komen in Nederland. Nu vind ik het leuk. Ik koester een heel kleine schil met fijne vrienden, collega’s en spelers met wie ik heb gewerkt. De rest is niet belangrijk.”