'Wat willen de Duitsers dan, ze verdienen toch aan de euro'

In Spanje bestaat onbegrip over de reactie van de Duitsers op de eurocrisis, maar er is ook bewondering. „Er zit voor jongeren niks anders op dan emigreren”

Zondagochtend tien uur, een speeltuin in een bijna uitgestorven Madrileens park – en het gaat alwéér over de eurocrisis. Een grootvader, een kleindochter en haar beide ouders komen bij de schommels spelen. „Wat is er toch met die Duitsers, dat ze zo moeilijk doen over Griekenland?”, vraagt de opa zijn schoonzoon. Die denkt even na en antwoordt dan: „Ik denk dat ze gewoon niet langer alle scherven in Europa willen opvegen.”

De grootvader: „Maar wat wil Duitsland dan? Ze verdienen toch aan de euro? Als de Duitsers nog hun eigen munt hadden, was die nu veel duurder. Dan draaide hun export lang niet zo goed.”

De dochter: „Ja, maar de Duitser kijkt naar zijn loonstrookje. Hij ziet hoeveel belasting hij betaalt, en dan leest hij in de krant dat een deel daarvan naar Griekenland moet. Wat hij verdient aan Europa, ziet hij niet aan zijn salaris.”

Ruim anderhalf jaar duurt de Europese schuldencrisis nu, en de Spanjaarden raken daarover steeds beter geïnformeerd. Ze worden ook steeds bozer. Het Noorden, vinden ze, pakt de crisis niet voortvarend genoeg aan en Spanje dreigt daarin te worden meegesleurd. In Noord-Europa bloeit het clichébeeld van zuiderlingen als onverbeterlijke potverteerders, creatieve boekhouders en belastingontduikers. Maar in de ‘knoflooklanden’ (De Telegraaf) gaat het over een gebrek aan Europese solidariteit.

Op opiniepagina’s van de kwaliteitspers, diplomatenborrels en financiële seminars klonk al langer de klacht dat het Noorden een kort geheugen heeft. Waren het niet Duitsland en Frankrijk die als eersten aan het Stabiliteitspact begonnen te morrelen? En waarom mochten zuiderlingen zich in de goede tijden diep in de schulden steken om Noord-Europese producten te kopen, maar moesten ze nu uit de eurozone? En: wie moeten er eigenlijk worden gered: perifere schuldenlanden of de Noord-Europese banken die te veel leenden aan die landen?

Nu de crisis aanhoudt, begint ook de rest van de samenleving zich deze vragen te stellen. Uitlatingen van de Duitse bondskanselier Merkel, hier gezien als de informele leider van Europa, krijgen veel aandacht – ook als ze voor haar eigen electoraat bedoeld zijn. Zoals haar uitspraak dat Grieken en Spanjaarden te veel vakantievieren en te vroeg met pensioen gaan. In werkelijkheid hebben Spanjaarden twee vakantiedagen meer dan Duitsers en gaan ze gemiddeld een maand later met pensioen.

In de buurt van Almería, zwaar getroffen door de onterechte Duitse beschuldiging dat Andalusische komkommers de bron van de EHEC-bacterie waren, schamperen de groenteplukker die daardoor hun baan verloren, dat ze dit jaar inderdaad een heel lange vakantie hebben. „Dankzij die Duitsers.”

Een collega van een Spaanse krant wees me er op dat hier 362 dagen per jaar een krant uitkomt; Nederlandse kranten verschijnen ‘slechts’ 300 keer. De jongerenbeweging die vorige maand stadspleinen bezette, bekritiseerde begrotingsdiscipline als ,,Merkels neoliberale agenda”.

Vorige week zette een Portugese vriendin een bericht op haar Facebook-pagina waarin ze signaleerde dat Portugal nog onder Duitsland staat in een jaarlijkse ranglijst van ‘falende staten’. Een betere positie, die Portugal onder meer te danken heeft aan zijn ruimhartiger opvang van vluchtelingen. „Omdat er meer is in het leven dan economie en geld”, zette ze erbij.

Ondanks het onbegrip over het Duitse dedain wordt Duitsland ook bewonderd. Volgens het regelmatige opinieonderzoek van het Real Instituto Elcano is het nog steeds het hoogst gewaardeerde Europese land. Spanjaarden associëren Duitsers met termen als ‘ontwikkeld’ en ‘hardwerkend’. Merkel krijgt een dikke voldoende.

Maar socioloog Javier Noya, die het onderzoek van het Elcano Instituut leidt, sluit niet uit dat de traditionele waardering voor Duitsland de komende tijd afneemt. „Het imago van Duitsland hier blijft goed, ondanks de fouten van Duitse bestuurselites. Maar als zij daar in blijven volharden, dan moet we niet verrast zijn dat dit verandert.”

Noya ziet op politiek en diplomatiek vlak een verslechtering van de relaties. Hij wijt dit aan een toegenomen zelfvertrouwen van Spanje in de afgelopen decennia, terwijl vooral conservatieve Duitsers hun Mediterrane clichébeeld van het land amper aangepast hebben. Verder zouden de laatste Duitse leiders (Merkel, Schröder) op persoonlijk vlak een minder goede klik hebben met hun Spaanse collega’s (Zapatero, Aznar) dan bijvoorbeeld Felipe González en Helmut Kohl hadden in de jaren tachtig. Duitsland, zegt Noya, verplaatst de blik ook meer oostwaarts, richting Oost-Europa en Azië.

Toch willen veel jonge Portugezen en Spanjaarden nog altijd graag werken in Duitsland, waar een hoge opleiding en hard werken wél beloond, denken ze.

De grootvader bij de schommels blijkt die conclusie ook te trekken. „Er zit voor jongeren niks anders op dan emigreren”, houdt hij zijn dochter voor. Maar zij ziet nog een uitweg. „Als straks ook wij gered moeten worden, kunnen we de Duitsers Mallorca geven. Ze bezitten toch al het halve eiland”, grapt ze. Haar vader is somberder: „Europa wordt één groot openluchtmuseum, met bejaarden en ruïnes. En straks enkel nog geruïneerde bejaarden.”