Voordat je het weet, verander je in een slappeling

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: zijn onze vrije wil en internetgebruik met elkaar te verenigen?

In 1993 publiceerde The New Yorker een cartoon van Peter Steiner van een hond achter een computerscherm, die aan een andere hond uitlegt: „On the internet, nobody knows you’re a dog.” De cartoon werd wereldberoemd. Steiner liet als een van de eersten zien wat de aantrekkingskracht is van internet: vrije toegang tot de wereld vanuit veilige anonimiteit.

In reactie hierop maakte Nik Scott in 2000 een strip van een hondje dat via de pc wordt overladen met vleesreclames. „To download a lean meat recipe, click here. To go to the marrow bone page, click here.” Het hondje begint enthousiast te klikken. „You’re a dog, aren’t you?”, reageert de computer.

Zeven jaar na Steiners strip weten webdiensten al veel meer van hun gebruikers. Anonimiteit is niet meer gegarandeerd, adverteerders weten feilloos de weg te vinden naar de juiste klanten. Alle grote sites houden tegenwoordig de internetgeschiedenis van de individuele gebruiker bij. Iedere klik, ‘like’ of zoekopdracht draagt bij aan wat je in de toekomst te zien krijgt.

Hoe vrij zijn we nog op internet? Precies daarover ging het cookiedebat dat vorige week werd gevoerd in de Tweede Kamer. Zijn wij nog heer en meester van het web? Of geeft internet slechts de indruk van vrijheid, van een geweldige machine die toegang geeft tot oneindig veel mogelijkheden, terwijl we in werkelijkheid worden gemanipuleerd en gestuurd op basis van onze eigen voorkeuren, wensen en verlangens?

Er wordt bij deze discussie vaak gesproken over privacy. Een minder belicht aspect van dit debat is het determinismeprobleem, een van de klassieke vraagstukken in de filosofie. Determinisme is het idee dat alles gebeurt volgens vaste patronen. We worden, net als in de natuur, beheerst door wetten van oorzaak en gevolg. In hoeverre laat die opvatting zich combineren met vrije wil? Eeuwenlang hebben filosofen zich hier hun hoofd over gebroken. Er zijn hierbij verschillende posities in te nemen.

Ik wil er hier één uitlichten: de positie van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860). In zijn essay Über die Freiheit des menschlichen Willens (1839) onderzoekt hij in hoeverre wij in vrijheid keuzes kunnen maken. Op het niveau van ons zelfbewustzijn voelen we ons vrij: „Ik kan doen wat ik wil: wil ik naar links, ga ik naar links, wil ik naar rechts, ga ik naar rechts. Dat hangt alleen van mijn wil af: ik ben dus vrij.”

Maar dat gevoel is misleidend, meent Schopenhauer. Want waar is die wil vandaan op gebaseerd? Immanuel Kant (1724-1804) zag de mens als autonoom, rationeel persoon die in vrijheid beslissingen neemt. Die vrijheid kon hij niet filosofisch funderen. Daarom maakte hij van vrijheid een postulaat: iets wat je niet kunt bewijzen, maar toch voor waar aanneemt om bepaalde feiten te kunnen begrijpen.

Schopenhauer nam daar geen genoegen mee. Anders dan Kant probeert Schopenhauer onze wil niet vanuit ons zelfbewustzijn te begrijpen, maar wijst hij op allerlei externe factoren. Hij onderscheidt hier drie zaken: de omstandigheden waarin we ons bevinden, onze motieven en ons karakter. De optelsom daarvan bepaalt onze wil – en om tot die wil te komen, is een weloverwogen afweging niet noodzakelijk.

Stel, zegt Schopenhauer: het is zes uur ’s avonds, een man komt uit zijn werk. „Ik kan nu een wandeling gaan maken”, denkt de man, „of ik kan naar de club gaan; ik kan de toren beklimmen om de zon onder te zien gaan, maar ik kan ook naar het theater gaan; ik kan bij deze vriend op bezoek gaan, maar ook bij een andere; ik kan zelfs de stadspoort uitlopen, de wijde wereld in en nooit meer terugkomen.” Het hangt allemaal van de man af, hij maakt een afweging. Toch gaat hij zoals alle dagen gewoon naar huis, naar zijn vrouw, die thuis met het eten klaarzit. Is hij werkelijk vrij? Of is hij, zoals Schopenhauer stelt, net zo vrij als een druppel water in een vijver met een fontein, die denkt dat hij in een rechte straal naar boven kan spuiten, maar ook rustig aan de wal kan blijven dobberen?

Natuurlijk, water heeft geen motief of karakter. Wat Schopenhauer duidelijk wil maken is dat de oorzaken van ons handelen grotendeels buiten ons bewustzijn liggen. Onze vrijheid, zo stelt Schopenhauer, is relatief. We denken dat wij vrij zijn doordat we een afweging maken, maar in feite spelen er allemaal factoren mee waar wij geen invloed op hebben.

Precies diezelfde spanning is aanwezig in het debat over cookies: we hebben de indruk dat we zelf bepalen wat er op ons scherm verschijnt, terwijl we ongemerkt voortdurend worden gestuurd.

De huidige ontwikkelingen op internet zijn extra venijnig, omdat adverteerders expliciet inspelen op persoonlijke behoeften en verlangens. Het wordt ons uitgesproken makkelijk gemaakt om te zwichten voor allerlei verleidingen.

In kranten of op tv zijn reclames gericht op een breed publiek. Als een halfnaakte blonde vrouw een Porsche aanprijst, denk je onbewust misschien dat je meer kans hebt op die vrouw met die auto. Maar daarvoor moet je eerst naar de winkel. Je kunt die Porsche toch niet betalen, bedenk je dan, en je hebt eigenlijk al een vrouw. „Laat maar zitten”, besluit je ergens halverwege. Bij gepersonaliseerde advertenties online is dat anders: er ligt bijvoorbeeld geen blonde vrouw op de motorkap, maar een roodharige: precies waar je van houdt. En het is geen Porsche, maar een Citroën of andere interessante auto, aangepast aan je bestedingsmogelijkheden. Om de auto aan te schaffen, volstaat één druk op de knop.

Dan moet je wel heel sterk in je schoenen staan om zelf, in alle vrijheid, een afweging te maken en te bepalen wat het beste is. Voor je het weet verander je van een Kantiaans, zelfsturend, rationeel persoon in de slappeling waarvoor Schopenhauer ons aanziet.

Tegenstanders van de cookiewetgeving vinden dat betuttelend. Als je informatie over jezelf prijsgeeft, doe je dat toch zelf? En als je die cookies echt zo erg vindt, kan je je browser zo instellen dat ze worden geweigerd. Schopenhauer laat zien dat mensen doorgaans niet zulke weloverwogen afwegingen maken. Als een browser staat ingesteld op ‘cookies accepteren’, passen ze dat niet snel aan. Als al je vrienden een liedje ‘liken’, doe jij dat ook. Uit de oneindige zee van mogelijkheden die het web biedt, kiezen we toch voor die sites, links en advertenties die we krijgen voorgeschoteld. Net zoals de hond uit de strip van Scott.

De vorige week aangenomen cookiewetgeving geeft daar rekenschap van. Het heeft de bedoeling consumenten meer inzicht te geven in ons handelen, om consumenten een klein beetje te helpen bij het maken van een rationele afweging. Zo krijgen we, hopelijk, een klein beetje vrijheid terug.