Va banque, met Christine Lagarde

Het was een scène die Nero zou hebben gepast. Op zaterdag 11 oktober 2008 dineerden zo’n zevenhonderd bankiers op het enorme binnenplein van de National Portrait Gallery in de Amerikaanse hoofdstad Washington. Een zwoele avond, traditioneel georganiseerd door de bankiersdenktank International Institute of Finance. Buiten brandde de financiële wereld in wat later de zwartste week van de kredietcrisis zou blijken. Op het binnenplein zwierden de obers in rijen binnen met de eerste gang.

Een dame besteeg het podium voor de eerste toespraak. De zaal viel stil. Christine Lagarde, de Franse minister van Financiën, veegde het gezelschap in vloeiend Engels de pan uit. Maar, zo besloot zij haar toespraak, wij zullen u redden. We worden uw aandeelhouder.

Even was het stil. Toen barstte de zaal uit in een daverend en opgelucht applaus. Middenin de hoofdstad van het kapitalisme, in de diepste crisis van het kapitalisme sinds de jaren dertig, betuigden de leiders van het kapitalisme, met hun door testosteron gedreven dealingrooms, hun dank aan een Franse vrouw die namens de staat zei hun eigenaar te worden.

Zelden werd de schaamteloosheid van de financiële sector beter zichtbaar. De zondag daarop, in hetzelfde weekend dat het Internationaal Monetair Fonds zijn jaarvergadering in Washington hield, lanceerden de regeringsleiders van de Europese Unie een ongekend pakket van vrijwel ongelimiteerde steun. Niet uit liefde voor de banken, maar om de samenleving te behoeden voor een totale ineenstorting. De Amerikaanse regering deed in wezen hetzelfde. Want zo spannend was het, al zijn we dat inmiddels misschien alweer vergeten.

De financiële sector keerde zich in zijn dagen van nood tot de staat. Zou het toeval zijn dat het westerse land waar die staat van oudsher de belangrijkste dirigerende rol speelt, Frankrijk, daar op het plein vol bankiers als eerste het verlossende woord sprak? Dat valt te betwijfelen. Lagarde werd gisteren gekozen tot directeur van het IMF. Dat staat, terecht of onterecht, te boek als de hoeder en lange tijd ook de ideologische steunpilaar van het internationale financiële kapitalisme.

Lagarde is Frans. Haar voorganger, de gevallen Dominique Strauss-Kahn die sinds 2007 topman was van het IMF, was Frans. Dat gold ook voor Michel Camdessus, die het IMF bestierde van 1987 tot 2000. En voor Jacques de Larosière (1978 tot 1987) én voor Pierre-Paul Schweitzer (1963-1973). In de 65 jaar dat het IMF functioneert, sinds 1946, stond de organisatie 36 jaar onder Franse leiderschap. Als Lagarde haar termijn van vijf jaar voltooit, dan zal het IMF bijna tweederde van zijn bestaan zijn bestierd door Fransen.

Dat kan zijn omdat Europa altijd het leiderschap van de organisatie heeft geclaimd en omdat Frankrijk binnen Europa in het versieren van prestigieuze posten nu eenmaal vaak het handigst is. Het kan ook zijn dat het land een gestage stroom van competente technocraten produceert, vanaf de École Nationale d'Administration en de Polytechnique, die uitermate geschikt zijn voor dit soort van functies.

Maar misschien is er wel wat anders aan de hand. Misschien heeft het kapitalisme zijn eigen tegendruk wel nodig. En wie kan die beter geven dan een ingezetene van een land dat de vrije markt, de democratie en de sterke staat combineert op een manier die op papier eigenlijk onmogelijk is, maar in de praktijk al geruime tijd prima werkt? De internationale financiële wereld heeft zijn Fransen kennelijk nodig, al was het maar om zichzelf te kunnen blijven definiëren.

Maarten Schinkel