Rasmussen: Nederland moet meer doen in Libië

De NAVO-chef zal hierop bij zijn eerste officiële bezoek aan Nederland over twee weken aandringen.

De NAVO zou bijvoorbeeld graag zien dat Nederlandse F-16’s, die nu helpen bij het afdwingen van het vliegverbod, ook ingezet kunnen worden voor bombardementen. In een vraaggesprek met deze krant zei Rasmussen gisteren dat hij de militaire bijdrage die Nederland nu levert waardeert. Maar „de boodschap die ik overbreng, ook aan andere landen, is dat de zwaarste last nu door slechts acht lidstaten gedragen wordt. Daarom spoor ik landen aan om toestemming te geven voor flexibele inzet van hun materieel, vliegtuigen bijvoorbeeld, zodat die ook gebruikt kunnen worden voor aanvallen op doelen op de grond.”

Rasmussen, die op 14 juli premier Rutte zal bezoeken, is blij dat Nederland besloten heeft zijn bijdrage aan de oorlog in Libië met drie maanden te verlengen. Minister Hillen (Defensie, CDA) heeft gewaarschuwd dat daarna het geld op is. Maar volgens Rasmussen is het „belangrijk dat we het goede signaal afgeven aan de Libische bevolking en aan Gaddafi: dat we net zolang zullen doorgaan als nodig is. Het zou gevaarlijk zijn als we nu al zeggen wanneer we ermee stoppen. Dan zou Gaddafi denken: ik hoef alleen maar af te wachten.”

Het is, zo stelt Rasmussen vast, uitgesloten dat de NAVO in Libië grondtroepen zal inzetten. De Amerikaanse minister van Defensie, Robert Gates, verweet de NAVO onlangs dat het bondgenootschap in Libië al na elf weken door zijn munitie heen was. Die kritiek wijst Rasmussen van de hand. Maar hij kan zich wel vinden in de opvatting van de Amerikaan dat de Europese bondgenoten in het algemeen een grotere bijdrage aan de NAVO zullen moeten leveren. Het optreden in Libië, waarbij Frankrijk en Groot-Brittannië het voortouw hebben, is wat hem betreft een model voor de toekomst. (NRC)