Misschien weten ze wel nooit wat er misging

Bij de vliegramp in Tripoli kwamen vorig jaar zeventig Nederlanders om het leven.

Een jaar later is het oorlog in Libië, en de oorzaak van de ramp is nog altijd onduidelijk.

Een puzzel van duizenden brokken en brokjes, gelegd in perzikkleurig zand. Verwrongen staal, een haast gave staart en geblakerde vleugels, vlakbij de landingsbaan. Meer dan honderd doden. En het jongetje Ruben dat de ramp wonderbaarlijk overleefde. Leg dat maar eens uit.

Het is aan de Libische autoriteiten om de puzzel op te lossen. En snel, als het kan. Want zolang zij niet weet wat de oorzaak is geweest, zegt Maryam Massarat op de radio, kan zij het verlies van haar vader niet verwerken.

Het is dan januari en acht maanden na de vliegramp in Tripoli, waarbij op 12 mei 2010 zeventig Nederlanders om het leven kwamen. Hun geliefden zijn begraven, maar nabestaanden kunnen de zaak niet laten rusten. Ze willen weten wat er is gebeurd. Wat ging er mis bij vlucht 771 uit Johannesburg?

Het wachten duurt lang. Voor velen te lang. Advocaat Veeru Mewa, die familieleden van 33 dodelijke slachtoffers bijstaat, krijgt begin dit jaar van sommige cliënten dagelijks telefoon. De één is woedend op de Libische autoriteiten. Een ander bezorgd of er ooit duidelijkheid komt. Op het besloten nabestaandenforum doen wilde geruchten de ronde. Dat het vliegtuig van Afriqiyah Airways een ander toestel wilde ontwijken. Dat de Libiërs het onderzoek saboteren.

Via officiële kanalen horen nabestaanden niks over het onderzoek. Niks uit Libië. Niks van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, die het onderzoek op afstand mag volgen. Niks van het ministerie van Buitenlandse Zaken, hoewel minister Uri Rosenthal de Tweede Kamer heeft beloofd dat informatie uit politieke en diplomatieke contacten via Slachtofferhulp Nederland „steeds” met nabestaanden zal worden gedeeld.

Advocaat Mewa schrijft eind januari een brief naar Buitenlandse Zaken waarin staat dat „er een dringende behoefte aan informatie is bij zijn cliënten”. Mewa krijgt een keurig briefje terug. Dat de verantwoordelijkheid bij de Libische autoriteiten, niet bij Buitenlandse Zaken ligt.

Als op 17 februari plotseling een opstand uitbreekt in Libië, betekent dat voor de nabestaanden nog meer onzekerheid. Kunnen de Libische onderzoekers te midden van al dat geweld hun werk nog wel afronden? Maar ze horen nog steeds niets.

Buitenlandse Zaken geeft pas op 21 april via Slachtofferhulp Nederland een bericht door. Dat de Nederlandse ambassade in Tripoli is gesloten, de ambassadeur naar Nederland is teruggekeerd en „dat het door de omstandigheden in Libië erg moeilijk is contacten te leggen”. Desondanks houdt „Buitenlandse Zaken een vinger aan de pols”, staat in het bericht.

Advocaat Mewa had een journalist van De Telegraaf al eens gezegd dat de Verenigde Naties mogelijk kunnen ingrijpen. Op Wikipedia staat dat zoiets eerder is gebeurd. Als de herdenking van de vliegramp nadert, heeft de journalist contact met D66. De ochtendkrant plaatst op 11 mei een artikel waarin staat dat D66-leider Alexander Pechtold wil dat „Nederland via de Verenigde Naties een onafhankelijk onderzoek [gaat] eisen”.

Die middag verschijnt plotseling een verklaring op de website van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarin staat dat Libië als lidstaat van de International Civil Aviation Organization (ICAO) „verplicht” is binnen een jaar na het ongeluk met een tussenrapport te komen. Gebeurt dat niet, dan kunnen de Verenigde Naties ingrijpen, schrijft de OVV. Het jaar loopt dezelfde dag af.

Op 12 mei herdenken nabestaanden de vliegramp. Met toespraken, muziek, gedichten. Ook minister Rosenthal van Buitenlandse Zaken spreekt. Hij toont begrip voor de frustraties. En belooft dat de Nederlandse overheid zich blijft inspannen om ervoor te zorgen dat het onderzoek wordt afgerond. „Daarbij kijken we ook naar mogelijkheden die er liggen bij de internationale burgerluchtvaartorganisatie ICAO”, zegt hij.

Diezelfde dag vraagt D66-leider Pechtold schriftelijk aan minister Rosenthal of hij bereid is de ICAO te vragen een onderzoek te beginnen. De Kamervraag is zeven weken later formeel nog niet beantwoord. Volgens Buitenlandse Zaken ligt hij nog op het bureau van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu.

Maar begin deze maand was er al een repliek, hij stond verstopt in een brief over het jaarverslag van Buitenlandse Zaken. Daarin schrijft minister Rosenthal dat bij de internationale luchtvaartorganisatie is nagevraagd „wat de ICAO kan betekenen in het bespoedigen van het onderzoek (zoals het overnemen van het onderzoek), nu is gebleken dat Libië de verplichting om binnen een jaar na de ramp met een (tussen)rapport te komen niet haalt”.

En wat blijkt, aldus de minister: „Een mogelijkheid zou zijn de deelrapporten van de bij het onderzoek betrokken instanties [een Franse en een Amerikaanse] te publiceren.”

Nonsens, zegt een woordvoerder van de ICAO. „Ten eerste hoeft Libië helemaal niet binnen een jaar te rapporteren, dat is slechts een aanbeveling. Daarbij kunnen wij het onderzoek niet bespoedigen of overnemen. De verantwoordelijkheid ligt bij Libië en de lidstaten zijn soeverein. Bovendien mogen de betrokken instanties geen informatie over het onderzoek naar buiten brengen zonder uitdrukkelijke toestemming van Libië”, aldus de ICAO. Voor zover dat bij de ICAO bekend is, houdt Libië zich aan het protocol. Ondanks de oorlog in Libië blijft het land vooralsnog verantwoordelijk voor het onderzoek.

Rosenthal heeft de Tweede Kamer dus verkeerd ingelicht. Ook de onderzoeksraad verstrekte onjuiste informatie. Maar anders dan de verklaring van de onderzoeksraad, is de brief van minister Rosenthal niet aan nabestaanden gestuurd. Zij kregen van Buitenlandse Zaken taal noch teken na de herdenking en de belofte om de ICAO-route te bekijken.

Van de minister hoeft hij echt niet ‘ach gossie, wat zielig’ te horen, zegt Tibor Poelmann, die in Tripoli zijn ouders verloor. „Maar ik verwacht wel wat inlevingsvermogen. Rosenthal lijkt niet te beseffen dat 103 mensen zijn verongelukt, dat het gaat om een van de grootste rampen uit de Nederlandse geschiedenis. Dan lijkt het me logisch dat je dat tot op de bodem uitzoekt en dat je de nabestaanden wezenlijke informatie kunt geven.”