Klimmen naar kruishoogte (slot)

Anita Janssen en Tosca Niterink lopen de langste pelgrimsroute in Spanje, de Via de la Plata, en doen wekelijks verslag.

Het leven is een grote anticlimax. We zijn er! En toen? Toen was het afgelopen...

We zitten in Finisterre, een baai aan de Atlántico. De plek waar men vroeger van dacht dat het het eind van de wereld was en waar de pelgrims derhalve een kledingsstuk verbranden alsmede een slechte gewoonte. Ik heb ook geprobeerd een sok te verbranden, maar mijn aansteker woei steeds uit. Er zit nu wel een knol in maar die valt nog wel te stoppen. Ik loop gewoon met al mijn slechte gewoontes verder. Ik zou me zo kaal voelen zonder, sterker nog er zou niks van mij overblijven!

Maar, ik begin met de epiloog!

Het werkelijke doel van onze reis lag niet in dit internetcafé met uitzicht op wild dobberende vissersbootjes. Ik had reeds verteld dat het hier flink waait. Heb de hoed dan ook stevig onder de kin dichtgestrikt. (Geen gezicht vindt Annie.)

De grote apotheose speelde zich natuurlijk af in Santiago de Compostella!

Het mooiste was de weg ernaartoe en de mooiste dag was de laatste en daarin lag dan ook die anticlimax ingesloten!

De laatste dag was het weer verschrikkelijk: het was nog niet eerder zo warm geweest, 41 graden!

We moesten ook nog eens in de volle zon berg op berg af. Regelmatig lagen we wanhopig huilend onder een struik en toen al het kokende water uit ons beider flessen op was en we ons opmaakten om te sterven, zagen we ineens Santiago en de fiere punten van de kathedraal liggen zinderen in de bloedverzengende verte. We wierpen ons tegen de slagschaduw van een natuurstenen muur en begonnen te bidden. Daar kwam een man zijn tuinhekje uit. „Water”, stamelden we met gortdroge keel. Toen de dorst gelest was en we weer een beetje konden praten vroegen we:

„Is hier ook een bar?”

„Om de hoek, u zit tegen de muur van de bar aangeleund.” Grappig hè?

Nu, u begrijpt, de nodige pints gaven ons vleugels en voor we het wisten liepen we de toeristenfuik Santiago de Compostella binnen en kusten in de kathedraal de voeten van de apostel Jacobus de meerdere. (Dat hoort.)

We hebben onze pelgrimspas laten afstempelen en onze Compostella (pelgrimsdiploma) gehaald.

Natuurlijk hebben we een dronken man gevraagd of-ie eventjes een foto van ons wilde maken voor de kathedraal met onze papieren, anders gelooft niemand dat we 1.100 kilometer hebben gelopen.

We hebben een heel langdradige katholieke mis lang afgewacht of ze de botafumeiro (rokende pot wierook) door de kerk gingen zwaaien. Maar helaas, dat gebeurde niet en de volgende dag ook niet, we kwamen erachter dat ze alleen nog maar met de rokende pot zwaaien als pelgrims er 250 euro voor betalen.

Toen we de afritsbroekenkermis van Santiago waren ontsnapt, lekker met de bus naar Finisterre, zat er op een terrasje hier een Nederlandse vrouw keihard te telefoneren. Zo een vrouw die je meteen al niet mag.

Ik heb wel twee keer de botafumeiro zien zwaaien, ving ik op.

„Ach”, vergoelijkt Annie, „ik zit de hele dag tegen een rokende pot aan te kijken.”

En nu ?

„We gaan een stukje wandelen”, zegt Annie.

Groetjes Anita en Tosca

Terugblikken: wildwifeadventures.nl