Kamp gokt met het geld van jongeren

Rekenen op gunstige rendementen kan betekenen dat jongeren straks zonder fatsoenlijk pensioen zitten.

Waarom is minister Kamp doof voor die kritiek?

Menig econoom is met kritiek gekomen op het pensioenakkoord. Deze kritiek wordt weggewuifd door minister Kamp (Sociale Zaken, VVD), de werkgevers en de werknemers.

Een nauwkeuriger verdeling van de klappen tussen generaties wordt breed gezien als goed punt van het pensioenakkoord. Als het hierbij was gebleven, was er mogelijk veel lof geweest.

Maar de kritiek spitst zich toe op de boekhoudkundige mogelijkheid om te rekenen met verwachte gunstige rendementen zonder de desastreuze consequenties onder ogen te zien. Zo kan per direct de dekkingsgraad – de gezondheid van een pensioenfonds – hoger worden gezet. We gaan immers in de toekomst geld verdienen op de beurs. Dit heeft twee ingrijpende gevolgen voor de besturing van pensioenfondsen.

Ten eerste kan per direct meer pensioen worden uitbetaald. Dit gaat wel ten koste van de jongeren, in goede en in slechte tijden. Deze herverdeling is vooral schrijnend voor pensioenfondsen met veel oudere deelnemers.

Het pensioenakkoord legt de nadruk op de bijschrijving van geïndexeerde pensioenuitkeringen in de komende jaren, bij zowel ouderen als jongeren, maar wijdt niet uit over de effecten over alle generaties heen als de laatste centen worden verdeeld in de toekomst.

In de Verenigde Staten is al zichtbaar hoe discontering met verwachtingswaarde een pensioensysteem uitholt. Over tien jaar is in de VS bij goede rendementen 40 procent van de staatspensioenfondsen geheel leeg. Over vijftien jaar heeft 65 procent van de fondsen de laatste dollar uitgekeerd. Is dit wat Kamp wil?

Dit afpikken van jongeren is des te triester bij de verdubbeling van de ratio gepensioneerden ten opzichte van werkenden in de komende decennia. De AOW-kosten stijgen mee. Rond 2030 is een soberder AOW dus ook onvermijdelijk. Er is dus alles aan gelegen om deze generatie eerlijk en goed te laten sparen voor voldoende oudedagsvoorziening.

Ten tweede ontstaat een prikkel om risico te nemen. Een hoger percentage beleggingen in aandelen en andere categorieën met risico betekent immers een hoger verwacht rendement en daarmee per direct een gezondere dekkingsgraad. Dit tart alle logica. Het bestuur van een pensioenfonds moet een prikkel krijgen om risico te nemen in lijn met het bestand van het fonds. Een ouder fonds dat sneller moet uitbetalen hoort een lager risicoprofiel te kiezen dan een jonger fonds, maar er mag geen prikkel tot verhoogd risico doorheen lopen om tekorten niet te zien. Deze kritiek wordt breed gedragen. Niet alleen actuariële consultants en academici, maar ook De Nederlandsche Bank en het Centraal Planbureau hebben zich bezorgd uitgelaten.

Het weerwoord op deze kritiek is steevast „dat het zo’n vaart niet zal lopen”. Kamp roept dat de fondsen deze berekeningsmethode niet hoeven over te nemen. Dat klopt. Vele fondsen zullen dat ook niet willen, maar de druk zal enorm zijn als één pensioenfonds van redelijke omvang begint met het betalen van indexatie uit een pot die maar net genoeg heeft om nominaal uit te keren. De recente financiële geschiedenis leert hoe een combinatie van verkeerde prikkels en peer group pressure mensen steevast een verkeerde hoek opdringt. Daarom staan veel pensioenfondsen niet te springen om deze mogelijkheid opgedrongen te krijgen.

Het pensioenakkoord staat bol van berekeningen waarin uit dezelfde pot op korte termijn meer indexatie wordt toegekend dan in het huidige contract. Dit is volgens het rapport een van de grootste zegeningen van het akkoord. Dit betekent dat de sociale partners zelf ervan uitgaan dat de fondsen versneld zullen uitkeren.

Ook de egalisatiereserve wordt genoemd als redmiddel. Hiermee kunnen excessen van verwacht rendement worden gereduceerd door deze buffer eerst vol te laten lopen. Je introduceert dan een potentieel malicieuze regel en stelt er ter neutralisering een andere regel tegenover. Die neutralisatie is niet verplicht, dus de verkeerde prikkel blijft. Alleen de complexiteit neemt enorm toe, ten koste van de transparantie en de compleetheid van het contract. Daarom is het toch allemaal begonnen.

Zoals Kamp in KRO Brandpunt stelde, hebben we de voorafgaande vijf decennia, waarin ons stelsel werd opgebouwd, overleefd. In het voorbije decennium hebben we met prudente inschattingen de fundamenten gelegd voor meer en eerlijkere risicodeling tussen generaties, onder meer door voorwaardelijke indexatie. Risico’s zijn niet vermeden, maar ook niet opgeblazen.

De veel moeilijkere decennia die we voor de boeg hebben, met sterke uitbetalingsstromen, eisen mogelijk nog meer discipline, vooral in de manier waarop we een enorme bak geld verdelen over generaties en de risico’s in bedwang houden. Dit is voor de kwetsbare jongeren de slechtst denkbare timing voor een radicale ommezwaai.

De dramatische proeftuin van dit nieuwe concept in de VS heeft aangetoond dat het een grote stap in de verkeerde richting is.

Theo Kocken is hoogleraar risk management aan de VU. Sweder van Wijnbergen is hoogleraar economie aan de UvA. Jan van de Poel is emeritus hoogleraar risk management aan de Universiteit Maastricht en voormalig chief financial officer voor het ABP. Rick van der Ploeg is professor of economics in Oxford.