In examenfilms blijkt dat Nederland nog altijd documentaireland is

De eindexamenfilms van de Filmacademie getuigen dit jaar van veel gezonde ambitie. Meer dan voorheen durven jonge filmmakers echt hun eigen weg te zoeken.

Aan lef en ambitie geen gebrek bij de jongste lichting afgestudeerde filmmakers van de Nederlandse Academie voor Film en Televisie. De eindexamenfilms vallen dit jaar op door de eigenzinnige en open blik die uit de films spreekt. Nogal uitzonderlijk: onder de afstudeerprojecten bevindt zich een horrorfilm (Desideratum van Maikel Nijnhuis), een romantische komedie (De rode loper van Martijn Heijne) en fantasy in de geest Jaco van Dormael (Het onopmerkelijke leven van Hans Boorman van Jonathan Herzberg.)

Zoveel diversiteit valt alleen maar toe te juichen, al riepen de experimenten met genre wel de vraag op of de opleiding voldoende expertise in huis heeft om filmmakers die zo willen werken goed te begeleiden; de films kwamen nog tekort als het gaat om sfeer en spanning.

Wel zeer geslaagd was de combinatie van thriller en sociaal-realisme in Geen weg terug van Shariff Korver, die er een paar jaar geleden met enkele kameraden in slaagde het in eigen beheer gemaakte De weg naar Cadiz in de bioscoop te krijgen. Origineel is de focus op de hulpverlener (Arent Jan Linde) én op een asielzoeker (Saman Amini) die complexer is dan alleen een nobel slachtoffer; over de hele linie een knap gemaakte, goed geacteerde, spannende film.

Geen weg terug was een van de weinige fictiefilms die zich konden meten met de documentairefilms, die dit jaar sterker waren. Beurtelings onderhoudend en ontroerend was Als ik jou niet had van Anne-Marieke Graafmans, die al de aandacht trok met haar derdejaarsfilm Lieve Anne-Marieke, waarin ze op de pont tussen Amsterdam-Noord en het Centraal Station mensen liet praten over de liefde. In haar afstudeerfilm portretteert ze Riek en Harrie, twee volkse Amsterdammers die elkaar op latere leeftijd hebben gevonden en leven voor uitstapjes met hun roestige, oude camper. „We hebben het niet zo getroffen met onze kinderen”, zegt Riek. Haar dochter verdween toen ze 30 jaar oud was spoorloos en is nooit teruggevonden; zijn zoon is drugsverslaafd en ongeneeslijk ziek. Hoe verder te leven met zulk groot verdriet, is het thema dat Graafmans in haar mooie film subtiel, nooit zwaar op de hand omcirkelt.

Indringend is Destiny van Sjoerd Oostrik, een portret van de Rotterdamse tienermoeder Cheryl die haar schoolopleiding moet combineren met de zorg voor haar dochtertje Destiny en strijdt met haar bitse, nauwelijks hulpvaardige moeder. Oostrik onthoudt zich van een oordeel, maar registreert in soms bijna lyrische beelden; een film die hard aankomt, juist omdat Oostrik steeds voldoende afstand bewaart en oog houdt voor de complexiteit van Cheryls situatie.

Pijnlijk om te maken (en om te zien) was het egodocument Onze vaders van Liseth Medema. Zij werd alleen opgevoed door haar vader, een Jehova’s Getuige. Die zette haar als puber het huis uit toen ze van haar geloof viel. Zijn geloof ging hem boven de bescherming van zijn kind, zo blijkt tenminste uit de Bijbelpassage die hij aanhaalt en die zijn keuze zou rechtvaardigen. Een zeer verdrietig verhaal, maar de wonden blijken te vers om echt inzicht te krijgen.

Dat gold tot op zekere hoogte ook voor het eveneens verdrietige Dochters van Marta Jurkiewicz, een Poolse die al tien jaar in Nederland woont. Hoe moet dat met haar moeder, die in Polen is achtergebleven en straks misschien hulpbehoevend zal zijn. In Polen is de zorg van kinderen voor hun bejaarde ouders nog vanzelfsprekend. Twee eerlijke films, maar het klassieke dilemma van egodocumentaires – hoe voldoende afstand te krijgen en te houden – lost ook de jongste lichting filmmakers niet op.