Het wordt stil in mij als ik de Marokkanen zie

Dit is een test: wat zou er gebeuren als een mannelijke collega (heteroman) en ik (homoman) hand in hand een wandeltocht zouden afleggen. Dat doen we in Amsterdam. Een stad waar homo’s volgens de berichten worden geminacht, waar ze steeds vaker aangifte doen van bedreiging, waar ze hun geaardheid vaker lijken te verstoppen.

We willen niet uitlokken. Zoenen doen we niet. We lopen niet expres door probleemwijken – al ligt de Diamantbuurt toevallig wél op de route.

We beginnen naast het Amstelstation. De plek waar een vriend van mij midden op de dag klappen kreeg omdat hij homo is. Hij deed aangifte, de daders zijn veroordeeld.

Met dit verhaal in het achterhoofd begint de wandeling gespannen. Ik loop nooit hand in hand – en al helemaal niet met een collega. Ik vind het klef. Verliefd zijn is iets persoonlijks, de straat is geen liefdesetalage.

Maar als mijn rechter zweethand eenmaal ongemakkelijk is verstrengeld met zijn linker zweethand, stel ik mij de vraag: is dit echt zo vervelend? Loop ik niet gewoon hand in hand uit angst? Bang om klappen te krijgen.

We worden niet in elkaar geslagen bij Amstel. Mensen kijken wat langer, dat is alles. Dan door de Diamantbuurt. Op het trottoir staan twee Marokkaanse jongens. Bontkraag. Scooter. Het wordt stil in mij als ik ze zie.

Klaarblijkelijk is er iets mis met de scooter want ze staan voorovergebogen over de motor. Ze richten hun ogen op ons. Slik. Een seconde houdt hun blik ons vast. Ik zet de scenario’s op een rijtje: hoe ik de komende trap ga opvangen. Of ik ze moet negeren als ze beginnen met schelden. Maar na die ene seconde krijgt het motorblok weer alle aandacht. Zo lopen we verder naar het Rembrandtplein. Dat is zo’n plek waar ik niet snel klef met een vriendje zou lopen op een drukke zaterdagavond. Vandaag zijn wij er vooral een attractie voor een Franse schoolklas. Kinderen stoten elkaar aan, wijzen. Ze lachen. Als dit discriminatie is, dan valt het nog mee.