Zonder subsidie

Er zijn nog organisaties die geen overheidssubsidie willen – en misschien is dat ook wel nastrevenswaardig gelet op de willekeur waarmee nu op de kunstsector bezuinigd wordt. Stichting AAP in Almere, opvangcentrum voor verwaarloosde apen en kleine uitheemse zoogdieren, is zo’n organisatie die louter afhankelijk van donaties is. Liever geen overheidsbemoeienis. En het wérkt.

Als donateur was ik te gast op de jaarlijkse Donateurdagen, die vorige week duizenden bezoekers uit heel Nederland trokken. Stichting AAP liet ons achter haar schermen kijken, waar normaliter zoveel mogelijk rust moet heersen, omdat dat beter is voor getraumatiseerde dieren.

AAP-directeur David van Gennep verwelkomde zijn donateurs op een slimme manier. „Jullie zijn de financiële kurk waar wij op drijven”, prees hij ons de portemonnee in. „De Postcode Loterij geeft ons een subsidie waarmee wij de maand januari doorkomen, jullie houden ons de rest van het jaar overeind. Hoe vinden jullie het dat jullie elf keer zo belangrijk zijn als de Postcode Loterij?”

Dat vonden wij prachtig, waren we ook ’s belangrijk. Toen vroeg hij ons of we alle Air Miles waar we niets mee deden, voortaan aan AAP wilden geven. „Er is een stuwmeer van 250 miljoen euro aan ongebruikte Air Miles. Ze vervallen als ze niet worden opgehaald. Stuur ze ons! Het is gratis geld. U hoeft er geen boterham minder om te eten.” Hij hield ons voor dat AAP nu een wachtlijst heeft met 350 apen – van de drie aangeboden apen kan er maar één worden opgenomen.

Kijk, dat vind ik nou een inventieve manier van geld binnenhalen. Wie nu nog Air Miles, al is het er maar één, over de balk gooit, voelt zich een dierenhater.

Daarna stuurde Van Gennep ons onder leiding van een van zijn bevlogen gidsen het complex met de dierenverblijven op. Dat bleek veel groter dan ik verwacht had. Het bestaat uit verschillende eilanden, gescheiden door water, waar groepen apen op leven. Er is een quarantaineverblijf, een zoogdierenafdeling met onder meer prairiehondjes en wasberen, een apenhal voor observatie en een chimpanseecomplex. In totaal is er onderdak voor 300 dieren.

Waar komen al die dieren vandaan? Veel worden op buitenlandse markten en uit circussen weggehaald, maar een substantieel deel is afkomstig uit de handel – in toenemende mate via internet – in ‘huisdieren’. Dan bestelt iemand in het buitenland zo’n wasbeertje dat er schattig uitziet, maar al snel in staat blijkt je neus half af te bijten als je te dichtbij komt. Of een kittig prairiehondje dat als hij in de stemming is – het overkwam een Nederlandse vrouw – je achillespees onherstelbaar doorbijt.

Welke dieren zijn er wél geschikt als huisdier? Bij AAP hebben ze een lijst opgesteld die kort kon uitvallen: alleen de kat en de hond. Daar moet iedereen die zo’n lief neusbeertje of Kaukasuseekhoorntje wil aanschaffen maar eens goed over nadenken.

Ik zag die dag bij AAP veel dieren, apen vooral. Van de gedachte dat er goed voor hen gezorgd werd, ging op een of andere manier een grote troost uit. Daar zat Koko, een 16-jarige chimpansee die zijn moeder al na negen maanden moest missen en vervolgens 14 jaar moederziel alleen in een dierentuin in Macedonië werd opgesloten. Koko had eindelijk gezelschap. „Hij vlooit nu zichzelf”, zei de gids, „maar hij weet dat die ander hem straks komt helpen.”

Wij luisterden ademloos. Hier deden we het voor.