Weg met de Fries, dat is ons devies

In Mijn Groningen, een recent boek van journalist Sietse van der Hoek, staat de tekst van het mij tot dusver onbekende Anti-Friezenlied. Dat werd aangeheven in cafés op de Grote Markt, uit protest tegen een enorme lichtreclame voor de Friesland Bank:

Weg met de Fries! / Dat is ons devies, / daar zijn wij Groningers voor. / Wat men ook zegt, / de Friezen zijn slecht, / dat hebben Groningers door. / Dus zingen wij dikwijls in koor: / Vriezen ze dood, / dan vriezen ze dood, / dat is bepaald geen verlies. / Vriezen ze dood, / ach vrienden, geen nood, / wat kan het schelen zo’n Fries?

Geen Fries zal zich hierom bekreunen. De tekst is wel opruiend (weg met de Fries) en beledigend (Friezen zijn slecht), maar zet niet aan tot – nu citeer ik de Amsterdamse rechtbank – „de extreme emotie van diepe afkeer en vijandigheid”, die kenmerkend is voor haat. Het lied is hoogstens een uiting van een goedmoedig soort rivaliteit. Bovendien worden de Friezen niet beschimpt wegens hun geloof. Zij vormen ook geen ras, al klinkt misschien nog een vage echo door van de tribale strijd tussen Saksen en Friezen tijdens de volksverhuizingen van vijftienhonderd jaar geleden – maar die speelt geen rol in de context van het huidige maatschappelijke debat.

Van de exegese van het vonnis in de zaak-Wilders kunnen wij nog lang genieten, bij alle opluchting dat onder het proces een streep is gezet. In de film La Terrazza van Ettore Scola zit een fantastische scène, die speelt in een Romeinse volksbuurt waarvan de bewoners elkaar bij de groentekar om de oren slaan met citaten van Gramsci en Marx. Zoiets kon je nu hier beleven. In mijn buurtcafé probeerden verhitte stamgasten elkaar te overtroeven met jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof. „Maar in het Féret-arrest staat toch duidelijk dat...” „O ja? Dan vergeet je wel even het gezwel-arrest, waarin...”

Voor het rechtsbewustzijn is dit geen slecht teken, lijkt me. Zelf heb ik dankzij het vonnis enkele nieuwe termen geleerd, zoals ‘grensoverschrijdendheid’ en ‘krachtversterkend element’. Waar Wilders zich grof en denigrerend had uitgelaten, was dat nog niet opruiend. Waar hij zich wel opruiend had uitgelaten, was dat nog geen aanzetten tot een extreme emotie. Zijn uitspraken tegen moslims – als groep mensen – waren „niet van zodanige aard dat ze vanwege grensoverschrijdendheid strafbaar moeten worden geacht”. Zijn oproep „De grenzen dicht, geen islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit, denaturalisatie van islamitische criminelen” zette niet aan tot haat. Een „krachtversterkend element” ontbrak. Wat zou dat – donnerwetter – betekenen? Maggi in de soep? De toverdrank van Asterix? De oplossing luidt: ik mag iemand uitschelden voor ‘fascist’ (dit is geen belediging), maar niet voor ‘nazi’ (dit is een krachtversterkende term).

Gisteren betoogde Rob Wijnberg in nrc.next dat Wilders de rechtbank om de tuin heeft geleid met retorische kunstgrepen. De politicus maakt – soms – onderscheid tussen de gelovigen en hun geloof. Dat verhult waartegen hij precies ten strijde trekt als hij zegt dat hij „minder islam” in Nederland wil.

Deze truc is niet door Wilders bedacht. De rechtbank volgde de Hoge Raad. Het gerechtshof in Den Bosch had iemand wegens de tekst „stop het gezwel dat islam heet” veroordeeld voor belediging van een groep mensen wegens hun geloof. „Verdachte heeft zich onnodig grievend uitgelaten over de islam en gezien de verbondenheid tussen de islam en haar gelovigen ook ten aanzien van die groep mensen die de islam belijden.” In cassatie werd dit oordeel vernietigd. Groepsbelediging slaat niet op een godsdienst, ook niet als gelovigen worden gekrenkt in hun godsdienstige gevoelens.

Ik denk dat de vrijheid van godsdienstkritiek is gebaat bij deze uitleg. Om dezelfde reden is ‘smalende godslastering’ een onzindelict. Het is bedacht door christelijke zeloten. Hiermee is nog niet duidelijk wanneer grievend geformuleerde godsdienstkritiek overgaat in belediging van gelovigen. Volkomen los van elkaar zijn die begrippen toch ook niet te zien.

Zo blijven we met meer vragen zitten na het vonnis van de rechtbank. Is de conclusie juist dat naarmate ‘het maatschappelijk debat’ feller is, de wettelijke bescherming van minderheden minder ertoe doet? Het zou juist omgekeerd moeten zijn. Naarmate minderheden meer in het verdomhoekje zitten en meer reden hebben om zich onveilig, bedreigd of uitgesloten te voelen, moeten de grenzen aan wat in het maatschappelijk debat toelaatbaar is scherper worden bewaakt. Natuurlijk is het strafrecht een uiterste middel, maar ook politici zullen toch binnen het speelveld moeten blijven. Ik kan in het vonnis van de Amsterdamse rechtbank, hoe kronkelig ook, nog geen vrijbrief zien voor Wilders om ‘de Nederlanders’ tegenover ‘de moslims’ te plaatsen. De samenleving als geheel heeft er belang bij om het ontstaan van een dergelijke, intrinsiek conflictueuze tweedeling te verhinderen.

En die Friezen? Ach, die kunnen er wel tegen. Zolang het maar geen Limburgers zijn.