Verkopen is ook een kunst

Meer dan de helft van de kunststudenten gaat als zelfstandige aan de slag.

Opleidingen spelen daar steeds meer op in. „Al onze studenten moeten een ondernemingsplan schrijven.”

Rond deze tijd studeren weer ruim drieduizend studenten af aan een Nederlandse kunstacademie. En op die academies is de aandacht voor de zakelijke kant van het kunstenaarschap de afgelopen jaren ontegenzeggelijk toegenomen.

Vrijwel overal krijgen studenten tegenwoordig informatie over het opstarten van een eigen bedrijf, maar de onderlinge verschillen zijn groot. Terwijl de Amsterdamse Rietveld Academie studenten open dagen en publieke bijeenkomsten laat organiseren, kiest de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten (KABK) in Den Haag ervoor ondernemerschap via bestaande vakken aandacht te geven. De Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht (HKU) is het voortvarendst te werk gegaan: de instelling heeft een grote som geld vrijgemaakt om ondernemerschap onderdeel te maken van elke opleiding.

Kunstacademies zijn van oudsher instituten waar de artistieke ontwikkeling van de studenten voorop staat. Ze worden opgeleid in de hoop dat ze zich als kunstenaar kunnen ontplooien. De realiteit is echter dat lang niet alle studenten na hun afstuderen van hun kunst kunnen leven. Anderhalf jaar na het afstuderen ligt het gemiddelde maandinkomen van een academiestudent iets boven de 1.000 euro.

De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, die alle opleidingen in het hoger onderwijs op kwaliteit toetst, schreef in 2007 in haar laatste rapportage dat alumni van kunstopleidingen snel werk vinden, maar behoefte hebben aan betere voorbereiding op het ondernemerschap.

Jack Verduyn Lunel, directeur van de KABK, vindt de groeiende aandacht niet meer dan normaal: „Weinigen zeggen aan het begin van hun opleiding: ik word ondernemer. Maar meer dan de helft van onze studenten gaat na de academie als zelfstandige aan de slag. Je moet natuurlijk een soort natuurlijke aandrang voelen om kunst te maken, maar wat je ook maakt, het moet zich daarna wel in de echte wereld bewijzen. Bijvoorbeeld doordat je het kunt verkopen.”

Het is niet zo dat zijn academie nu bedrijfskunde voor kunstenaars doceert, maar Verduyn Lunel ziet tegenwoordig wel een andere houding tegenover ondernemerschap. Zo moeten studenten nu, binnen de reguliere vakken, naast hun werk vertellen wat de kosten waren en laten zien hoe ze financiering zouden binnenslepen. „Ook moeten alle studenten een ondernemingsplan schrijven. Dat was tien jaar geleden echt ondenkbaar geweest.”

Een belangrijke factor in de verandering is de verjonging binnen het docentencorps: „Voor hen is het nu normaal om naast kunstenaar ook ondernemer te zijn.”

Ook op de Amsterdamse Gerrit Rietveld Academie spelen de docenten een belangrijke rol als voorbeeld voor de studenten. Ze hebben een aanstelling van een halve of een hele dag per week. „De rest van de tijd werken ze”, zegt Tijmen van Grootheest, voorzitter van het College van Bestuur en lid van de hbo-raad. „Sommigen exposeren, anderen hebben een eigen ontwerpbureau.”

De vraag is in hoeverre dit werkelijk een verandering is. De leerling-leermeester-band is traditioneel belangrijk op kunstacademies. De Amsterdamse academie houdt zich daarom minder met ondernemerschap bezig. Van Grootheest: „We geven geen cursus boekhouden. Ze kunnen altijd docenten om advies vragen, maar de meesten zijn gewoon bezig met zo goed mogelijk afstuderen.”

Studenten kiezen geen gemakkelijke loopbaan, dat weten ze heus, maar de vrijheid van de academies is ook iets waard. Het dilemma van de academies is duidelijk: ze zijn zich wel bewust van het feit dat hun studenten ‘ondernemer in de kunsten’ worden, maar als dat ondernemen een centrale rol krijgt in het lesprogramma, is de academie misschien de academie niet meer.

Niet iedereen lijkt zich daar zorgen over te maken. Arjo Klamer, hoogleraar in de Economie van Kunst en Cultuur, geeft toe dat de academies meer aandacht besteden aan ondernemerschap, maar hij vindt het nog lang niet genoeg. De Rotterdamse hoogleraar vindt dat de nadruk nog altijd teveel op de artistieke ontwikkeling ligt: „De cognitieve ontwikkeling, de kennis van de wereld, is soms van een werkelijk beschamend niveau.”

Klamer zou graag zien dat studenten beter leren „hun eigen kunst waar te maken. Als kunstenaar ben je natuurlijk ondernemer, je moet je kunst te gelde maken, en dat is echt een heidens karwij. Er zijn zoveel mensen die om aandacht vechten.”

Hoewel hij denkt dat er een overschot aan kunstopleidingen is, ziet Klamer mogelijkheden voor studenten: „Naar creatieve vaardigheden is zeker vraag. Creatief denken, als ambacht, zou veel meer aandacht moeten krijgen. Kunststudenten leren nu al vanuit heel abstracte ideeën naar concrete kunstwerken of producten te werken, dat is echt niet niks.”

Een twintigtal vierdejaars werd het afgelopen half jaar bijvoorbeeld intensief begeleid in het 3rdSpace-project. Ze werden vijf maanden geschoold in ondernemerschap en innovatie.

Tjaard Horlings, docent Marketing, Financieel Management en Ondernemerschap aan de HKU, zelf afkomstig uit het bedrijfleven, voorziet weinig problemen voor zijn studenten. „Kunstenaars lopen vaak voorop, dat zien bedrijven ook. Zij gaan die mensen gewoon opzoeken. Ze kunnen een belangrijke rol vervullen in de ‘beleveniseconomie’.” Hij roemt de do it yourself-mentaliteit in de kunsten: „In potentie is dat gewoon ondernemersgeest, als je jezelf kunt ‘vermarkten’.”