Sunblock voor kunstwerken

Vlooienmarkten afschuimen om kunst te redden, dat doet chemicus Thea van Oosten. Kunstenaars en musea maken dankbaar gebruik van haar onderzoek naar verschillende soorten plastic om hun kunstwerken langer te conserveren.

Een grote harde gele banaan, een tuinkabouter, een slavork, een haarspeld, kopjes en schoteltjes, een ooievaar met een kralenketting om zijn magere hals – de kast in het laboratorium lijkt op een kraam van een rommelmarkt. „Daar komt het inderdaad allemaal wel vandaan”, beaamt chemicus Thea van Oosten, „maar vergis je niet: dit is een waardevolle referentieverzameling.”

Donderdag neemt de struise, goedlachse Van Oosten na twintig jaar afscheid als conserveringsonderzoeker bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE). De chemicus is bezeten van plastic in alle soorten en maten, geuren, kleuren en samenstellingen. Ze pakt een rode plastic zonnebril uit de kast en tikt erop met haar nagels, ruikt eraan. Ze wijst naar een rij apparaten tegen de achterwand: „Daarmee kan ik determineren wat de samenstelling is. Maar na al die jaren weet ik het zo ook wel.”

Steeds meer kunstenaars werken met vluchtige materialen als purschuim, schuimrubber en allerhande soorten plastic. „Daardoor wordt het conserveren moeilijker en tegelijkertijd belangrijker.” Een van de kunstwerken waarmee Van Oosten zich de laatste jaren heeft beziggehouden, is een zittende man van schuimrubber, even simpel als expressief, van kunstenares Kirsten Hutsch uit 1998. „Hij maakt deel uit van de bedrijfscollectie van fotokopieerapparatenfabrikant Océ en staat daar in de hal. Geweldig natuurlijk dat het werk voor het publiek zichtbaar is, maar dat spul, polyurethaan schuim, kan niet tegen daglicht. Het verkruimelt gewoon.” Op verzoek van Océ heeft Hutsch daarom in 2007 een tweede versie gemaakt, die dankzij Van Oosten iets meer kans heeft te overleven. „Wij hebben hier een hulpmiddel ontwikkeld, een sunblock zoals ik ook op de neus van mijn kleinzoon smeer aan het strand.” Dat hele proces heeft ze gedocumenteerd in het boekje PUR Facts dat donderdag bij Amsterdam University Press verschijnt.

Naast het conserveren van kunst doet de afdeling van Van Oosten ook fundamenteler materiaalonderzoek. Ze pakt een vergeeld presse-papier van perspex van tafel waarin allerhande zeebeestjes zitten. Dit soort plastic troep koopt Van Oosten op vlooienmarkten om vervolgens kapot te slaan en er verschillende lijmsoorten en reparatietechnieken op uit te proberen. „Kijk, bij deze zie je vanbinnen het breukvlak nog glimmen. En bij deze” – triomfantelijk – „niet!”

Dit lab van de RCE is samengebracht met het Rijksmuseum, waarmee het, samen met de Universiteit van Amsterdam, een center of excellence vormt voor het conserveren van roerend erfgoed. Het centrum heeft samen met de Universiteit van Maastricht en de TU Delft een aanvraag voor onderzoeksgeld lopen bij het NWO-programma ‘Science for Art’.

Van Oosten geeft al over de hele wereld workshops, maar nu bekend is dat ze als adviseur ‘op de markt’ komt, benaderen kunstenaars en musea haar met gerichte verzoeken om advies. Om te beginnen gaat ze een tijd het Whitney in New York adviseren. Kunstenares Madeleine Berkhemer, die installaties van kleurige nylonkousen maakt, heeft haar al gevraagd wat ze moet doen wanneer na verloop van tijd de rek uit panty’s verdwijnt. (Advies: grote aantallen bestellen. Dan wordt het voor de fabrikant de moeite om uv-filters en anti-oxidanten toe te voegen.) Een museum in Milaan wacht op tips voor de redding van een drie meter hoge giraf van doorzichtig roze plastic. De RCE zelf hoopt dat Van Oosten de ‘schetsboeken’ van kunstenares Lourdes de Castro zal kunnen redden – ze zijn gemaakt van gekleurde plastic vellen die op den duur zichzelf als het ware opeten.

Een museum dat een kunstwerk van plastic overweegt te kopen, wil vóórdat de koop wordt gesloten weten hoe te voorkomen dat het verkleurt. Van Oosten heeft een aantal proefstroken in haar magische verouderingsmachine gelegd en komt tot de conclusie: schilder het kunstwerk maar wit, want het gáát verkleuren. „Nee, daar gaan ze niet blij mee zijn. Maar ik ben er niet om ze blij te maken. Ik ben er om de kunstwerken te redden.”