Op naar het front, met gierende banden en Allah

Om Tripoli te veroveren moeten de rebellen de relatief veilige bergen verruilen voor open gebied.

„Ik hoop maar dat het regime snel valt.”

Met een luid „Allahu Akhbar” schreeuwen de jongemannen achterin de pick-uptruck zich een laatste keer moed in.

Normaal gezien moet zo’n pick-up dan met gierende banden vertrekken naar het Libische front. Maar deze keer slaat de motor af. De jongemannen proberen het nog een keer en dan zijn ze weg, richting Bir Ghanem, vijftien kilometer verderop, waar de troepen van Moammar Gaddafi hen staan op te wachten.

Net als elders in Libië is het hier in het westen een ongelijke strijd: kalasjnikovs en oude Belgische FN-geweren en nog oudere geweren uit de tijd van de Italiaanse kolonisatie, tegen de Grad-raketten van Gaddafi die tot hier in Bir Ayyad neerploffen. Maar hier staan de rebellen wel op een goede honderd kilometer van de hoofdprijs: Tripoli. In normale tijden is het vanuit Bir Ayyad nog geen uur rijden voor je op het Groene Plein in de hoofdstad staat.

Zover is het nog niet. Er zullen vandaag twee doden en verscheidene gewonden vallen zonder dat er een meter terrein wordt gewonnen op de troepen van Gaddafi. „We proberen te voet zo dicht mogelijk bij de Grad-lanceerders te komen. Dan vechten we man tegen man”, zegt Mohammed Hodeiba (26), die zit uit te rusten in een voormalig gebouw van Gaddafi’s veiligheidsdiensten. Hoog in de lucht weerklinkt het gerommel van NAVO-vliegtuigen. Ze hebben zo al veel mannen verloren, geeft Hodeiba toe. „Hoeveel precies weet ik niet. Wij houden het niet bij.”

Bir Ayyad ligt op de hoofdweg naar Tripoli in de uitlopers van het Nafusah-gebergte. De locatie toont tegelijk de kracht en de zwakte van de opstandelingen. Nadat op 15 februari de opstand tegen Gaddafi was losgebarsten, slaagden de rebellen er vrij snel in zijn troepen uit een groot deel van de bergen te verjagen. Maar hier, op de open weg, zijn ze opnieuw in het nadeel. Zonder hulp van de NAVO of van de opstandelingen elders in Libië vormen de laatste honderd kilometers een onoverkomelijk obstakel.

De meeste rebellen hier zijn Amazigh (Berbers), de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika die hun eigen taal spreken, het Tamazigh. Zij zijn extra gemotiveerd omdat Gaddafi de afgelopen decennia zijn uiterste best heeft gedaan om de Berbercultuur en -taal uit te roeien.

„Wij beschermen de berg niet, de berg beschermt ons”, zegt een ex-kapitein van het regeringsleger in Jadu, een stadje in het centrum van de Nafusah-bergen. „Zonder de berg hadden we geen schijn van kans gemaakt. Onze voorouders wisten goed wat ze deden toen ze ons eeuwen geleden hierheen voerden.”

Toen de jongeren van Jadu in februari voor de poorten van zijn kazerne stonden, heeft hij geen moment geaarzeld, zegt de kapitein. Hij wil anoniem blijven omdat hij familie heeft in hoofdstad Tripoli. „Ik heb onmiddellijk de poorten geopend en hun de wapens gegeven. Ik heb heel mijn leven voor Gaddafi gewerkt; ik wist waartoe hij in staat is. En bovendien: wij hebben hier 42 jaar lang op gewacht; we gingen deze kans niet laten schieten.”

De Nafusah-opstand was lange tijd een lokale aangelegenheid. De rebellen hadden de grootste moeite om te overleven zonder contact met de buitenwereld, en de stadjes in de bergen waren dan wel vrij maar ze lagen voortdurend onder het vuur van de Grad-raketten beneden in de vallei. Het overgrote deel van de burgerbevolking is daarom gevlucht naar kampen in Tunesië, of naar Tripoli, in het geval van de Arabische dorpjes waar een deel van de bevolking trouw was gebleven aan Gaddafi.

Maar in april slaagden de rebellen erin om de regeringstroepen bij de grensovergang met Tunesië in Wazin op de vlucht te jagen. Sindsdien hebben de rebellen hier bezoek gekregen van delegaties uit Benghazi, die geld en wapens hebben aangevoerd via Tunesië. Op de weg, die de kam van de berg volgt, is ook een geïmproviseerde landingsbaan aangelegd voor kleine vliegtuigen.

Dankzij die hulp hebben de rebellen de laatste twee weken aanzienlijke terreinwinst geboekt. Ze hebben nu het gebergte in handen, van Nalut aan de grens met Tunesië tot het dorpje Al-Ghala, op twintig kilometer van Gharyan, de grootste stad van de Nafusah-bergen. Gharyan is strategisch van enorm belang, en dat weet Gaddafi ook. Daarom heeft hij er naar verluidt 3.000 militairen gestationeerd. De rebellen zijn met niet meer dan 2.000 manschappen.

„Onze topprioriteit is om Gharyan te veroveren”, zegt Tarek Abulgassem, een 35-jarige rebel, in het burgerleven reisagent. „Zonder de hulp van de mensen daar kunnen we onmogelijk doorstoten naar Tripoli. Hier in de bergen kennen we het terrein, maar verderop is het allemaal open gebied. Ik hoop maar dat het regime valt voordat we die aanval moeten inzetten.”