Mensenrechten zonder geheven vingertje

Minister Rosenthal wil mensenrechten in niet-westerse landen uitbreiden, zonder te betuttelen. Dat kan alleen door lokale gebruiken op waarde te schatten, betoogt Tom Zwart.

De Nederlandse regering spreekt landen van oudsher publiekelijk aan op hun tekortkomingen in het naleven van mensenrechten. Nederland drukt op deze manier zijn verontwaardiging over schendingen uit en steekt lokale mensenrechtenverdedigers een hart onder de riem. De vraag is of deze kritiek de situatie in die landen daadwerkelijk verbetert.

Deze vraag rees naar aanleiding van van het voornemen van minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) om het mensenrechtenbeleid effectiever te maken. Dit voornemen uitte hij twee weken geleden in een overleg met de Kamer, in de nota Verantwoordelijkheid voor Vrijheid. Volgens de minister moet het „opgeheven vingertje” plaatsmaken voor samenwerking. Morgen wordt de discussie over dit onderwerp in de Kamer afgesloten.

Staten die bij mensenrechtenverdragen partij zijn, moeten hun verplichtingen getrouw uitvoeren. Zij mogen wel zelf de middelen kiezen om die internationale verplichtingen om te zetten in nationale maatregelen, zolang de resultaten maar voldoen aan de norm.

Westerse staten geven vaak de voorkeur aan het afkondigen van wetgeving en het toekennen van individuele, voor de rechter afdwingbare rechten. In Afrika en Azië gebeurt dat vooral door gebruik te maken van bestaande sociale verbanden, zoals familie en de lokale gemeenschap. Zo heeft de regering van Zuid-Afrika bij de inrichting van het pensioenstelsel voortgebouwd op de plicht die mensen daar al jaren voelen om hun oude en kwetsbare familieleden te onderhouden.

Problemen ontstaan als westerse landen verwachten dat staten in Afrika en Azië hun mensenrechtenverplichtingen inrichten op een westerse manier. Zo is vanuit het Westen veel druk uitgeoefend op staten in Noord-Afrika om wetgeving aan te nemen die vrouwenbesnijdenis verbiedt en overtreders aanpakt. Hoewel die wetgeving inmiddels in veel staten is aangenomen, vindt vervolging vrijwel nooit plaats.

Westerlingen zijn, in hun verontwaardiging, zich te weinig ervan bewust dat juridische oplossingen minder geschikt zijn in Noord-Afrika. Intussen sluiten ze de ogen voor de positieve ontwikkelingen die zich voordoen buiten het terrein van het recht. Zo is in Senegal een campagne op gang gekomen waarbij dorpsgemeenschappen, waarin de leden onderling met elkaar trouwen, vrouwenbesnijdenis één voor één afzweren. Deze campagne heeft geleid tot een indrukwekkende afname van het aantal besnijdenissen in dat land.

De conclusie dat niet-westerse staten bij het nakomen van hun mensenrechtenverplichtingen tekortschieten, is vaak een gevolg van deze bijziendheid. Steeds wordt gezocht naar westerse vertalingen van de verplichtingen. Daardoor bestaat onvoldoende oog voor lokale inspanningen – zoals tijdens het begintijdperk van de fossiele brandstoffen alleen belangstelling bestond voor het winnen van aardolie en het even effectieve aardgas werd afgefakkeld.

Afrikanen en Aziaten hebben vaak grote moeite met het gegeven dat hun inspanningen wat betreft mensenrechten niet worden erkend door westerlingen. De druk om westerse middelen in te zetten, ervaren zij als moreel imperialisme. Als gevolg daarvan graven zij zich in. Mogelijkheden om mensenrechten uit te breiden, worden dan niet benut.

In zijn betoog verwees de minister met instemming naar de zogenoemde ‘receptorbenadering’. Deze is ontwikkeld door de Universiteit Utrecht, om samenspraak aan te moedigen. Respect voor de manier waarop andere culturen invulling geven aan mensenrechten is daarbij het uitgangspunt. Als blijkt dat de sociale instanties die worden ingezet om mensenrechten in het land te beschermen niet toereikend zijn om de norm te halen, worden oplossingen ontwikkeld met lokale deskundigen om die kloof te dichten. In de eerste plaats wordt dan gezocht naar middelen van eigen bodem.

De zogenoemde Gacaca-rechtbanken in Rwanda zijn een mooi voorbeeld. Deze traditionele rechtbanken zijn ingezet om de daders van de genocide van 1994 te berechten. Omdat zij niet in alle opzichten voldeden aan de eisen die op internationaal niveau aan een eerlijk proces worden gesteld, zijn procedurele garanties toegevoegd. Zo gaan respect voor de lokale cultuur en internationale mensenrechten goed samen. Deze benadering heeft tot op heden mooie resultaten geboekt in China en Afrika.

Het zou daarom verstandig zijn als de Tweede Kamer de door minister Rosenthal geboden uitdaging zou aannemen. Dat vraagt om een andere insteek in het mensenrechtenbeleid. Niet een snelle beoordeling van de situatie op basis van een polaroidfoto van het rechtsysteem, maar diepgaand sociaal-cultureel onderzoek zal de doorslag moeten geven. Op deze manier zullen antropologen de mensenrechtenverdedigers van de toekomst worden.

Tom Zwart is hoogleraar Rechten van de Mens aan de Universiteit Utrecht, en curator van de Teldersstichting.