Medische hoogstandjes of onbespoten talenten?

Ooit werd doping geïntroduceerd in het wielrennen om onmenselijke zware tochten te kunnen overleven. De laatste decennia werden de middelen steeds verfijnder. Wie in koers wilde blijven, moest aan het spul. Nu zijn de controles zo zwaar dat veel renners het risico niet meer aandurven.

De Ronde van Frankrijk wordt dit jaar in 190 landen uitgezonden. Een record, volgens organisator ASO. Je zou dus kunnen zeggen dat het evenement aan populariteit wint, ondanks het feit dat de Tour hoogstwaarschijnlijk gewonnen gaat worden door een renner die er nog steeds niet zeker van is of de editie 2010 jaar daadwerkelijk op zijn naam staat. Zat de clenbuterol in een stukje vlees, of kwam ze uit een spuitje? In augustus doet het internationaal sporttribunaal uitspraak.

Waar kijken ze naar in juli 2011, die miljoenen mensen voor de buis? Naar (para)medische hoogstandjes of naar onbespoten natuurtalenten? En kan het ze iets schelen waar ze naar kijken? Je zou denken van niet. Wielrennen en doping zijn vrijwel synoniem aan elkaar, zo leert de geschiedenis. Misschien leeft er hoop onder de mensen. Dit jaar zal het eindelijk een ‘schone’ Tour worden, want die coureurs moeten hun lesje onderhand wel hebben geleerd.

Topsport in het algemeen riekt naar doping, maar in het wielrennen krijgt het d-woord een iets navranter, maar ook kleurrijker betekenis. Een zwemmer of hardloper die betrapt is wordt bij wijze van spreken weggezet in een hoekje in de krant. Een wielrenner die betrapt wordt heeft de voorpagina voor zich alleen. Is dit positieve of negatieve discriminatie?

In mijn vrije tijd mag ik graag over de nationale en internationale internetfora struinen om te kijken wat er leeft onder de wielerliefhebbers. Doping is een belangrijk thema, dat staat wel vast. De wielerfan op internet komt niet op me over als een ongeneeslijk verbitterd of onverschillig mens. Integendeel, hij is betrokken. Vooral op de Amerikaanse fora kom ik hoogstandjes tegen van sarcasme en ironie die de compassie met de man in het veld (de wielrenner) benadrukken. De wielrenner is in principe geen slecht mens. Hij is zowel Gods lieveling als Zijn sinistere grap.

Doping in het wielrennen is zo oud als de sport zelf. En even oud is de anti-dopinglobby. In 1884, ongeveer een decennium voordat hij zijn sadistische en commercieel interessante meesterstuk, de Tour de France, lanceerde, hief Henri Desgrange in zijn boek La Tête et les Jambes reeds waarschuwend de vinger: „Het vergif zal je vernietigen.”

We bevinden ons in fase 1. Wielrenners zijn rauwe avonturiers. Zij bedienen zich met vanuit de paardensport geïmporteerde hulpmiddelen, een cocktail van strychnine, arsenicum, opium, coca, cafeïne en verder nog wat onduidelijke toevoegingen. De koersen zijn lang, soms over de duizend kilometer, en gaan na zonsondergang gewoon door. Niet zelden komt de winnaar met een dag voorsprong binnen. De cocktail is vooral een overlevingspreparaat.

Dit is de grondslag van het wielrennen: overleven. In deze periode ontstond ook het ambacht van de soigneur, de veelal ongeletterde spierenkneder die zich op intuïtieve basis bekwaamde in het verfijnen van de cocktail. Dopingcontroles bestonden niet, wielrennen was een experimenteel feest met zowel wrakken als winnaars tot gevolg.

Fase 2 is al een stuk minder romantisch. Amfetamine is het kernwoord. Het spul waarmee de Engelse vliegeniers aan het einde van de Tweede Wereldoorlog – naast bommen – werden geladen om de Duitse steden weg te vagen, werd vrijwel meteen geannexeerd door het wielerpeloton. Het was een psychisch tonicum, een middel om vooral niets te voelen behalve de wakkere wil tot doden. Ideaal voor de sport, dus. Blijven gaan tot je een ons weegt, en nog verder. Foto’s van wielrenners uit de jaren vijftig en zestig tonen steevast die typisch hologige amfetaminemaskers. Verslaafden. Paranoïde wandbeklimmers die zelfs vergaten dat het wurgcontractje van de sponsor hun niet meer dan een sneetje brood opleverde. Alleen de mannen met zelfreflectie kenden enige beheersing in timing en dosering.

Mijn jeugdidolen waren waarschijnlijk allemaal junks, alleen wist ik dat toen nog niet.

Het was midden jaren zestig dat een poging werd ondernomen de wielrenner tegen zichzelf in bescherming te nemen door het invoeren van dopingcontroles. Hij was er niet van gediend. Jacques Anquetil liet luid weten zich bekocht te voelen door de betuttelende reglementen. Toen reed Tom Simpson zich voor eeuwig vast op de Mont Ventoux. Ik was tien en herinner me dat ik een dag later de krant spelde. Wat me vooral trof was de pathetische onhandigheid van de rouwende meute in Frankrijk.

Ikzelf was een fase 3-coureur. Sportcarrière in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Wonderlijke tijd in medisch opzicht. Amfetamines hadden, behalve in bepaalde circuits, hun tijd gehad, want ze waren perfect op te sporen in de laboratoria. De wijzer van het controleapparaat sloeg bij wijze van spreken al in het rood voordat het urinemonster erin zat. Het was de periode van de hormonen zoals die in de jaren zeventig waren geïntroduceerd in het peloton. Vooral cortisonen waren de hit. Verboden maar niet op te sporen. Een goedje dat bij onjuiste doseringen systeemontwrichtend werkte. Hilarisch is het verhaal van de renner die erop speculeerde dat zijn concurrent zich vol tankte voor een bergtijdrit, en een dag later zelf uithaalde in de cols om in het geel naar Parijs te fietsen. Omgekeerde koersvervalsing.

In deze fase werd ook het lichamelijke onderhoud met de overigens toegestane injecteerbare vitaminepreparaten nader uitgewerkt. Wielrennen was immers nog steeds fnuikend voor de gezondheid.

Dopegebruik werd pas volwassen in de jaren negentig. Na meer dan een eeuw gestuntel was er dan eindelijk het elixer dat het verschil maakte: epo. De zuurstofopnamecapaciteit steeg explosief in deze vierde fase. Wie een dokter kende die van de epo wist had ruime voorsprong. De verhoudingen werden overigens snel gelijkgetrokken in een waanzinnige bewapeningswedloop. Iedereen die in koers wilde blijven moest aan het spul. Een dramatische ontwikkeling voor het handjevol dat niets zag in afhankelijkheid van dit medicament. Gedesillusioneerd lieten ze de sport voor wat die was.

Zo groot was in het begin de verwarring dat een aantal ploegleiders de internationale wielerbond op de hoogte stelde: doe er wat aan. Epo was levensgevaarlijk bij te hoge doseringen. De bond kwam met de halve maatregel van de hematocrietmeting, een detectietest bestond nog niet.

In die tijd besprak ik met oud-collega’s wel eens een wielerwedstrijd. „Heb je die en die zien winnen?” Om samen in schaterlachen uit te barsten. De atletische prestaties waren bovenaards en tartten elke logica.

Tijdens en vooral na de beruchte Festina-Tour van 1998, kreeg het grote publiek inzicht in wat er allemaal speelde in het peloton. Het verbaasde me eerlijk gezegd hoe weinig liefhebbers de sport de rug toekeerden. Festina verkocht meer horloges dan ooit. Verzorger Willy Voet en ploegarts Eric Rijckaert schreven later elk afzonderlijk gedetailleerde boekwerken over hun praktijken. Wie zich op de hoogte wilde stellen van het dagelijkse medische reilen en zeilen in het peloton, kon dat doen. Voet en Rijckaert hebben overigens een poos achter Franse tralies gezeten. Er zouden er meer volgen. Coureurs werden niet strafrechtelijk vervolgd. Zij werden gezien als slachtoffers.

De intussen overleden dokter Rijckaert was zeer genuanceerd in zijn boek. Zijn plicht als dokter had hij niet verzaakt, het was hem uitsluitend om de gezondheid van zijn jongens te doen geweest. Ik leerde dat epo, mits goed gebruikt, het meest gezondheid bevorderende medicijn voor renners was dat er bestond. Ik nam het graag van hem aan. Een uitgebluste coureur op de Champs-Élysées had ik in geen jaren meer gesignaleerd. Tot mijn verassing schreef hij preventief antidepressiva voor om de hoofden van zijn jongens fris te houden.

Het publiek bleef aan de lopende band getrakteerd worden op grote schandalen en onthullingen – en het liep niet weg. Netwerken werden ontmanteld, grote kampioenen neergesabeld. Het volgen van wielrennen was als het volgen van een spannende detectivereeks.

De vijfde en huidige fase is er een van de harde aanpak. Wielerunie UCI loopt pochend voorop in de dopingbestrijding. Als Big Brother screent ze de bloedprofielen van de renners die onverwachts controleurs zien opduiken in hun eigen woning. Dopinglabo’s zijn aan een spectaculaire inhaalslag bezig. Het laboratorium in Keulen bleek in staat een paar moleculen clenbuterol in Contadors urine te detecteren. Ongelooflijk knap. Tests worden ontwikkeld voor producten die in de toekomst zouden kunnen opduiken. De pakkans vergroten en vooral streng straffen is de strategie. Daarbovenop screenen ploegen hun eigen renners. Winnen mag nog altijd, maar imagoschade moet tot elke prijs worden voorkomen. Er zijn nu zelfs coureurs die gelouterd en gewassen tijdens een tweejarige schorsing de absolute reinheid prediken.

Gaat de wielerliefhebber een schone Tour tegemoet voor zover hij daar behoefte aan heeft? Een redelijk schone, is mijn indruk. Een vreemd en kort gesprekje had ik onlangs met de ploegleider van een renner voor wie hij de handen in het vuur stak.

„Gaat hij zich dit keer op het podium rijden?” vroeg ik.

Hij antwoordde: „Die en die zullen nu wel geen risico’s meer durven nemen, dus ik denk het wel.”

Peter Winnen