Het braafste jongetje, dat is Nederland allang niet meer

Jarenlang had Nederland een grote mond over tolerantie en internationaal recht.

Daar heerst nu leedvermaak over in het buitenland, mede door de positie van de PVV.

Geen groter vermaak dan leedvermaak. Die regel gaat zeker op in de internationale diplomatie, leerde Agnes van Ardenne de afgelopen jaren bij de Verenigde Naties in Rome. „Als men iemand kan laten vallen, doet men dat graag.” En Nederland is aan het terugvallen in de internationale pikorde, constateert ze.

Vier jaar lang was de oud-minister voor ontwikkelingssamenwerking permanent vertegenwoordiger (ambassadeur) van Nederland bij de FAO. Ze was er de drijvende kracht achter de reorganisatie van de VN-voedsel- en landbouworganisatie. Dit kennisinstituut, dat de honger in de wereld moet bestrijden, had te lijden onder mismanagement.

Tijdens de reorganisatie, vertelt ze, had ze last van de nieuwe opstelling van de Nederlandse regering. Er was extra geld nodig, maar Nederland hielp niet mee. „Vroeger hadden we daar potjes voor, meer dan andere landen, waardoor we internationaal in de voorhoede zaten.” Dat is dus veranderd. CDA-partijgenoot Ben Knapen, staatssecretaris op Buitenlandse Zaken, bezuinigt een miljard euro op ontwikkelingssamenwerking. Begrijpelijk in tijden van krapte, vindt Van Ardenne, „maar we moeten oppassen dat we als land internationaal niet te klein worden”.

Tijdens het hervormingsproces werkte Van Ardenne samen met diplomaten uit 192 landen. Ze merkte dat Nederland zijn reputatie als land van recht, solidariteit en tolerantie kwijtraakt. Decennialang, zegt ze, had Nederland een grote mond over wat er zou moeten gebeuren in de wereld. Het land zag zichzelf als een moreel kompas: land van vrede en recht, met het Vredespaleis en het Internationaal Strafhof in Den Haag. „Wij vonden dat het buitenland daar een voorbeeld aan kon nemen.”

Maar nu: „We hebben een grote partij die de grenzen wil sluiten, omdat ons land vol zou zijn. De ontwikkelingshulp kan volgens de PVV gehalveerd worden, of misschien zelfs afgeschaft.”

Van Ardenne snapt het niet. „Nederland is altijd zó vrij geweest. Nederlanders hebben de laatste decennia zoveel vrijheid voor zichzelf opgeëist. Waarom gunnen we dat een ander dan niet? Waarom moet de allochtoon worden opgejaagd? Hij mag van alles niet, maar moet wél het Nederlandse volkslied kunnen zingen. Dat wordt opgemerkt in het buitenland. Juist nu duidelijk is dat de globalisering onomkeerbaar is, zien mensen dat Nederland benauwd omgaat met mensen die naar het Westen komen, op zoek naar werk en studie.”

Het gedoogakkoord met de PVV is volgens de ex-minister niet uit te leggen in het buitenland. „Men denkt dat de PVV gewoon in de Nederlandse regering zit.” Nederland, concludeert ze, is internationaal niet meer het braafste, modernste en meest tolerante jongetje van de klas. „Veel buitenlandse diplomaten vinden die kentering vermakelijk. Maar ik vind het jammer, omdat we vaak wel de goede toon hebben gezet.”

Door bezuinigingen op buitenlandse activiteiten is Nederland volgens haar teruggezakt naar de middenmoot in de internationale pikorde. „We worden niet meer uitgenodigd voor de G20 en al jaren weten we geen hoge functie binnen de VN meer te bemachtigen.”

Ze is de afgelopen jaren bij de FAO in Rome geroemd om haar Dutch approach: doelgericht, soms wat al te direct, maar opererend vanuit een „intellectuele eerlijkheid”. Van Ardenne wist, samen met de twee medevoorzitters van de hervormingscommissie, arme en rijke landen tot consensus te brengen over herstructurering en de nieuwe ‘grondwet’ van de FAO.

Zondag, vlak voor haar vertrek naar het Productschap Tuinbouw in Nederland, beleefde ze haar finest hour. De lidstaten van de FAO kozen een nieuwe directeur-generaal. Na achttien jaar moet de Senegalese topman Jacques Diouf het veld ruimen. Dat was volgens Van Ardenne onvermijdelijk geworden. „Hij gedroeg zich als een Afrikaanse koning die bestuurde op basis van verdeel en heers.”

In 2000 spraken regeringsleiders af het aantal ondervoede mensen in vijftien jaar te halveren tot 400 miljoen. Nu lijden meer dan een miljard mensen honger en heeft eenzelfde aantal obesitas. „Dat is het drama van deze tijd. We weten het voedsel dat er is niet goed te verdelen.” Er is geld genoeg, zegt ze, maar honger is een politiek probleem. „Zolang in landen de wil ontbreekt om het op te lossen, zal dat niet lukken.” En dus trekken mensen naar de megasteden in de derde wereld én naar het Westen. Al is de vrees dat alle arme wereldbewoners naar Nederland komen volgens Van Ardenne ongegrond. „In Afrika worden ze pas echt overspoeld: in Tunesië, in Egypte. Bij ons is de toestroom mondjesmaat.”

Tijdens haar vele bezoeken aan derdewereldlanden vroeg Van Ardenne altijd wat de beste manier is om die landen te helpen. Regeringen zeiden dan dat hun landen juist kunnen overleven in de wetenschap dat hun landgenoten in het Westen, in Nederland, een baan hebben, opgeleid worden, geaccepteerd worden en kunnen wonen. Lang niet iedereen wil naar het Westen, maar wie er is, vindt ze, moet worden geholpen. „Dat is de beste bijdrage aan een globaliserende wereld en de beste bijdrage in de strijd tegen de internationale armoede.”

Haar CDA werkt nu samen met de PVV, die volgens Van Ardenne „verschrikkelijk badinerend” over immigranten spreekt. Ze was meteen „erg bezorgd” over het gedoogakkoord. „Het bracht de partij van Wilders in de positie credits op te eisen en missers af te schuiven op VVD en CDA.”

Met stijgende verbazing volgde ze op haar computerscherm in Rome het CDA-partijcongres dat besloot tot kabinetsdeelname. „Ik dacht: wat gebeurt daar?” De partij had volgens haar nooit al na een dag tot stemming moeten overgaan. „Ik vond dat niet van wijsheid getuigen.”

Van Ardenne is ervan overtuigd dat de tweedeling die daar ontstond, nog lang zal doorwerken in de partij. „Dat heeft het CDA geschaad. Als wij in Rome de hervorming van de FAO zo hadden afgedwongen, was de voedselorganisatie nog net zo verdeeld geweest als toen ik hier kwam.”