Er is geen plek, maar iedereen is welkom op het hbo

Hbo’s moeten iedereen maar aannemen: van havisten tot mbo’ers en vwo’ers.

Daarbij is er de ‘ratrace naar de top’: een mbo-opleiding is niet goed genoeg meer om aan een baan te komen.

De champagne kan al bijna open. Tien jaar geleden stelde de Nederlandse regering zich een ambitieus doel: in 2020 moet 50 procent van de Nederlandse beroepsbevolking tussen de 25 en 44 jaar hogeropgeleid zijn. Deze ambitie komt voort uit Europese afspraken in 2000: de ‘Lissabon-agenda’. Europa moest in 2020 de meest dynamische kenniseconomie worden.

En ziet: het Nederlandse doel raakt in zicht. Als de huidige stijgende lijn doorzet, zal in 2020 ruim 45 procent van de beroepsbevolking een hbo- of universitair diploma hebben.

Het grootste deel van die groei zit in het hoger beroepsonderwijs. In het collegejaar 2000/2001 stonden er 312.698 studenten ingeschreven. Het lopende collegejaar zijn dat er al 416.934. Ter vergelijking: de universiteiten groeiden de afgelopen tien jaar ook sterk, maar zijn anno 2011 met hun 241.686 studenten een stuk kleiner dan de hogescholen.

Maar helaas.

De enorme groei is ook reden tot zorg. Doekle Terpstra, collegevoorzitter van Inholland en eerder voorzitter van de hogescholenkoepel HBO-raad, spreekt van „een gekte” die in de politiek is ontstaan door ‘Lissabon’. „Iedereen wil koste wat kost die 50 procent halen. Er is onvoldoende aandacht geweest voor de uitdagingen die dat voor het hbo met zich mee zou brengen.”

„De groei van de afgelopen jaren brengt spanningen met zich mee”, beaamt Jet Bussemaker. De oud-staatssecretaris is nu rector van de Hogeschool van Amsterdam, met 41.948 ingeschreven studenten de grootste hogeschool van Nederland. Ze somt op: „Hoe behoud je de kwaliteit van het onderwijs, hoe zorg je ervoor dat er voldoende goede docenten zijn, waar haal je de benodigde lesruimte vandaan?”

Bussemaker is blij dat zoveel studenten voor haar HvA kiezen, maar geeft toe dat het een fikse klus is. Soms is het nodig op de rem te trappen. „Voor een populaire studie als media, informatie en communicatie geldt een numerus fixus. En als het bij andere opleidingen te druk wordt, zullen we daar hetzelfde doen. Kwaliteit gaat voor kwantiteit.”

Het hbo heeft weinig middelen om de stroom jongeren die naar de hogescholen komt te stuiten of te sturen, zegt Terpstra van Inholland. „En iedereen is welkom: vwo’ers, havisten, mbo’ers. Deze heterogene samenstelling van de studentenpopulatie heeft grote druk op de hogescholen gelegd. En als universiteiten straks mogen selecteren aan de poort, zoals het kabinet wil, komen er wellicht nog meer jongeren onze kant op.”

Zoveel mogelijk mensen een zo hoog mogelijk diploma laten halen, het lijkt een goed idee.

Maar Herman van de Werfhorst, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in onderzoek naar onderwijs en arbeidsmarkt, heeft sterke twijfels bij het streven om de helft van de Nederlanders hoger onderwijs te laten volgen.

Die twijfels beginnen al bij de definitie van de term ‘hoger onderwijs’ die de politiek hanteert, zegt hij. „Het streefcijfer van 50 procent komt uit de Verenigde Staten. Maar in de VS worden ook de opleidingen van de community colleges beschouwd als higher education. Die opleidingen zijn vergelijkbaar met het niveau mbo-4 hier in Nederland. Als je de afgestudeerden hiervan optelt bij de mensen die naar hbo of universiteit zijn gegaan, dan zit Nederland nu al op 60 procent hogeropgeleiden.”

Een woordvoerder van staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) laat weten dat niveau mbo-4 wat het kabinet betreft geen hoger onderwijs is. „We blijven streven naar een percentage van 50 procent dat minstens een hbo-diploma op zak heeft. Dat kan ook een tweejarige associate degree zijn, die speciaal ontwikkeld is voor mensen die willen doorstromen vanuit het mbo.”

Omdat de overheid een definitie van hoger onderwijs hanteert die het middelbaar beroepsonderwijs uitsluit, is er in Nederland een „ratrace naar de top” gaande, zegt hoogleraar Van de Werfhorst. Dat heeft verregaande gevolgen voor de arbeidsmarkt. „Banen die eigenlijk van mbo-niveau zijn, worden nu gedaan door mensen met een hbo-diploma. En dat versterkt de trend die al aan de gang is: nog meer mensen proberen op een hogeschool te komen, omdat ze anders minder kans maken op werk. De groei van het hbo zal daarom nog wel even doorzetten. En daarmee de druk op de hogescholen ook.”

Zo ontstaat het beeld dat er in Nederland twee groepen zijn: de winnaars die hoger onderwijs hebben gevolgd en de losers die dat niet hebben gedaan, zegt Jan van Zijl, voorzitter van de MBO Raad. „Ik ben daar bezorgd over. Het leidt tot perverse prikkels, bij bestuurders, jongeren en hun ouders.”

Want omdat iedereen graag naar het hbo wil, zegt Van Zijl, komen daar ook jongeren terecht die er misschien niet horen. En dat kan niet zonder gevolgen blijven. „Het gaat niet lukken om die 50 procent te halen, zonder de kwaliteitseisen naar beneden bij te stellen. Bovendien verlaten nu te veel mensen het hbo zonder enig diploma, of ze doen er heel lang over.”

De druk die op jongeren wordt gelegd om per se hogerop te komen, openbaart zich al op de havo, zegt Van Zijl. „Het mbo heeft in toenemende mate te maken met scholieren die het op de havo niet gered hebben en dan gefrustreerd bij ons komen. Dat aantal is inmiddels gestegen naar ruim 14.000 per jaar. Die jongeren kunnen beter meteen naar het mbo komen en daar een diploma halen. Daarna is er altijd nog de mogelijkheid door te stromen naar het hbo. En dat gebeurt ook: 50 procent van de mbo’ers stroomt door.”

Maar, benadrukt Van Zijl, ook een mbo-diploma is een prima startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.

Doekle Terpstra beaamt dat: „Een kenniseconomie heeft ook goede mbo’ers nodig. Waar het om gaat, is dat iedere jongere terechtkomt op de plek die het beste bij hem of haar past. Of dat nu een universiteit, hogeschool of middelbare beroepsopleiding is.”

HvA-rector Bussemaker sluit zich daarbij aan. Ze hoopt dat ook hogescholen straks vooraf de motivatie en drijfveren van potentiële studenten mogen „matchen” met wat een opleiding te bieden heeft. „En soms zal de uitkomst van zo’n gesprek zijn dat het beter is voor de student om een andere opleiding te volgen dan hij in gedachten had. Misschien een andere hbo-opleiding, maar het kan ook dat iemand tot het inzicht komt dat het mbo beter bij hem past.”

Terpstra vindt veel van de kritiek terecht die de afgelopen maanden vanuit de politiek is neergedaald op het hoger beroepsonderwijs. Maar politici hebben ook „boter op hun hoofd”, zegt hij. „Net als bij de schaalvergroting van de instellingen, is het de politiek geweest die de eerste aanzet heeft gegeven tot de enorme groei van het aantal studenten in het hbo. Als het mede door die enorme toestroom vervolgens misgaat, vind ik dat je van politici ook wat zelfreflectie zou mogen verwachten.”