Een straalkacheltje tegen de barre Afrikaanse winter

„Zo jongen, zit jij weer lekker met je slippertjes aan op de veranda?” De baas belt vanuit Rotterdam om over een stuk te praten. Lekker lenteweer daar, in Nederland, maar ik zit in mijn kantoor in Johannesburg met een straalkacheltje tussen mijn benen.

Het misverstand moet nu maar eens de wereld uit: het is niet warm in Afrika. Althans niet overal. Johannesburg ligt op 1.700 meter hoogte en in juli en augustus, winter op het zuidelijk halfrond, kan het ’s nachts vriezen. Dit jaar is de winter uitzonderlijk vroeg begonnen. Stortbuien en bewolking maken de kou straffer dan anders. „Maar jij komt uit Nederland”, zegt een vriendin in een warm barretje in de stad. „Bij jullie is het toch altijd koud?” In Nederland hebben we centrale verwarming, leg ik uit. Omdat het doorgaans twee maanden winter is, hebben weinig huizen in Zuid-Afrika serieuze verwarming.

Het barretje in de stad heeft een airconditioner die ook warme lucht kan uitblazen. Zoiets vreet stroom, net als het elektrische straalkacheltje onder mijn bureau. En stroom is iets waar Zuid-Afrika een structureel tekort aan heeft. Vooral in de winter waarschuwt het nationale energiebedrijf Eskom dat de capaciteit de vraag niet aan kan. Zonder straalkacheltje kan ik niet typen. Dus toen Eskom het onlangs liet afweten, ging ik op zoek naar andere warmtebronnen. Ik had mijn zinnen gezet op een paraffinebrander. Een politiek gewaagde keuze. De verkoper keep me bezorgd aan. Ook zeventien jaar na het eind van de apartheid kleeft in Zuid-Afrika aan alles wat je doet een impliciet oordeel over klasse of huidskleur. En paraffinebranders worden eigenlijk alleen door arme, meest zwarte Zuid-Afrikanen gebruikt.

„Doet u er meteen maar een jerrycan paraffine bij”, zei ik. Maar paraffine had de verkoper in de bouwmarkt niet. Daarvoor ga je naar een benzinestation, legde hij me giechelig uit. Een pompbediende keek me iets later evengoed verbouwereerd aan. „Nee brother, geen paraffine hier. Daarvoor moet je aan de andere kant van de koppie zijn.” Hij bedoelde de ietwat verpauperde buurt aan gene zijde van de rotspartij die onze wijk in tweeën snijdt. De paraffinebrander staat nu alweer een paar dagen ongebruikt in mijn kantoor. Ik ga niet dagelijks over de koppie. Ik heb me voorgenomen mijn zoektocht naar paraffine voort te zetten als de stroom weer uitvalt. Tot die tijd red ik me met dat straalkacheltje tussen mijn benen.

Peter Vermaas