De slachtstrijd is weer opgelaaid

Vandaag beslist de Kamer dat ritueel slachten onder voorwaarden mogelijk blijft.

De discussie over het onverdoofd slachten woedt al bijna anderhalve eeuw.

Eeuwenlang leefden runderen, kalveren en schapen slechts om door de mens gegeten te worden. Hoe ze aan hun einde kwamen maakte niet uit; als het vlees maar lekker mals was. Maar met de opkomst van de Dierenbescherming in de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde het denken over hoe de mens met beesten behoort om te gaan.

De gangbare slachtmethoden zouden onnodig pijnlijk zijn voor het vee; er was moderne bedwelmingsapparatuur uitgevonden die het dierenleed tijdens de slacht flink kon beperken. Al in 1869 bestempelden internationale dierenbeschermingsverenigingen op een groot congres in Zürich de rituele – en dus onverdoofde – slachtpraktijken van joden en moslims als dierenmishandeling. De ‘oude en wilde volken’ moesten volgens de dierenbeschermers met hun tijd meegaan door de pijnlijke halssnede af te schaffen.

Aanvankelijk waren de nieuwe verdovingstechnieken nog gebrekkig en omslachtig. Koosjere slachters en halalslachters konden met recht naar voren brengen dat hun techniek sneller en doeltreffender was. Maar hoe beter de bedwelmingsmethoden werden, des te meer moeite hadden joden en moslims om vol te houden dat hun rituele slachttechnieken humaner waren. Met wetenschappelijke rapporten van fysiologen en veeartsen in de hand probeerden zij dit tóch te bewijzen, ook al werden ze tegengesproken door dierenvrienden, die weer andere rapporten en verklaringen aanhaalden.

In 1893 werd in Zwitserland de discussie over de rituele slacht op de spits gedreven: de Dierenbescherming initieerde een nationaal volksreferendum om de ‘primitieve praktijken’ van joodse slachters te verbieden. In het grote debat dat voorafgaand aan de stemming werd gevoerd, kwamen al gauw andere argumenten dan alleen die van dierenwelzijn om de hoek kijken. Hardop stelden (christelijke) Zwitsers de vraag of in een staat waar de wetten voor iedereen waren gemaakt, privileges mochten blijven bestaan voor één kleine bevolkingsgroep. Het antwoord van het grootste gedeelte van het Zwitserse volk was ontkennend: 57,7 procent stemde tegen de instandhouding van het ‘sjechten’, het joods ritueel slachten.

De uitslag van het Zwitserse referendum en de eventuele rol die antisemitisme in het debat had gespeeld, veroorzaakten veel opschudding in de joodse wereld. Ook in Nederland bleven polemieken niet uit. En de felle discussies over dit gevoelige thema zouden steeds terugkeren: in het begin van de twintigste eeuw naar aanleiding van pas opgerichte grote slachterijen, rond 1920 vanwege de nieuwe Vleeskeuringswet en in 1933 omdat de nazi’s in Duitsland eveneens een ritueel slachtverbod hadden ingesteld.

Exemplarisch voor het verloop van de discussies is een ingezonden brief van ‘een dierenvriend’ die op 14 december 1922 op de voorpagina van het liberale Haagse dagblad Het Vaderland verscheen. De briefschrijver was verontwaardigd dat de joodse wet het gebruik van moderne schietmaskers niet toeliet. ‘Het volgens de Joodsche wet slachten is voor een dier, dat toch ook reuk, gevoel en verstand heeft, verschrikkelijk. Wij leven in een christelijk land en in de 20ste eeuw. Alleen daarom zou het niet mogen geschieden.’

De redactie van Het Vaderland zat met de brief in haar maag. Ze besloot om aan een joodse verslaggever van de krant een reactie te vragen en deze in zijn geheel onder de ingezonden brief af te drukken. In de reactie erkende de journalist dat de joodse rituele slacht niet de meest aangename was voor mensen die niet tegen bloed konden. Maar als je alle factoren in ogenschouw nam, was het joodse slachten, mits goed gedaan, de meest pijnloze en zekere methode. Sterker nog: ‘De Joodsche wet mag wel de oudste wet op de Dierenbescherming genoemd worden.’ Joodse slachters kregen namelijk standaard een zware opleiding, in het mes mocht geen enkele oneffenheid voorkomen en door het vele bloedverlies zou het dier snel bewusteloos raken. Was getekend: ‘de Joodsche medewerker.’

Maar daar liet Het Vaderland het niet bij. De redactie besloot zelf een kijkje te nemen in een slachthuis, ‘wat, naar men wel begrijpen zal, allesbehalve een aesthetisch genoegen is’. Na uitvoerig met de directeur van het slachthuis te hebben gesproken, nam de krant een tussenpositie in. De redactie was het met de brievenschrijver en dierenvriend eens dat verdoofd slachten diervriendelijker was, maar dat tegelijkertijd aan joden het recht op koosjer vlees niet kon worden ontzegd. Wel vond de krant dat er veel meer koosjer vlees werd verstrekt dan nodig was; tegen misbruik protesteerde Het Vaderland ten zeerste.

Met deze argumenten bleven voor- en tegenstanders van het rituele slachten in Nederland elkaar bestoken. In de jaren dertig kregen de voor een ritueel slachtverbod strijdende dierenbeschermers gezelschap van een andere groep: de antisemieten. Brochures verschenen om voorlichting te geven over ‘de achtergrond van Joodsche bloedige gebruiken’. Dat de Duitse bezetter in 1940 een algemeen verbod op de rituele slacht invoerde, kwam dus niet onverwacht. In het nauw gedreven Nederlandse opperrabbijnen konden niet anders dan bij uitzondering toestaan dat joodse slachters hun dieren voortaan elektrisch verdoofden.

Na de oorlog waren alle door de Duitsers uitgevaardigde wetten niet meer van kracht. Ook het verbod op ritueel slachten gold dus niet meer, al verstomde vanuit de Dierenbescherming de roep om een verbod niet. Door de komst van de vele islamitische gastarbeiders in de jaren zestig en zeventig bleef het onderwerp op de politieke agenda; aan het halal slachten van dieren waren immers nog minder regels verbonden dan aan de koosjere slacht. Maar in de hoogtijdagen van de multiculturele samenleving verdedigden de grote politieke middenpartijen het recht op ritueel slachten met verve: zowel aan de vrijheid van godsdienst als aan het multiculturele ideaal mocht niet worden getornd.

Inmiddels is het klimaat opnieuw veranderd. De multiculturele samenleving is sinds ongeveer tien jaar een besmet begrip, en populistische politici als Fortuyn en Wilders willen de invloed van religie zo veel mogelijk terugdringen. Tegelijkertijd is de dierenbeweging aan een nieuwe opleving begonnen: de Partij voor de Dieren heeft twee zetels in de Tweede Kamer en Dion Graus zorgde hoogstpersoonlijk voor 500 ‘animal cops’ in het regeerakkoord.

Deze combinatie van enerzijds een trend van secularisering en anderzijds de opkomst van het ‘dierenpopulisme’ zorgde ervoor dat het debat over ritueel slachten de afgelopen maanden een nieuwe weg kon inslaan. De argumenten zijn goeddeels ongewijzigd gebleven: zowel voor- als tegenstanders schermen nog steeds met wetenschappelijke rapporten die het eigen gelijk ‘bewijzen’. Maar voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis huldigen traditionele bestuurspartijen als de PvdA, VVD en D66 niet meer het aloude middenstandpunt dat destijds door de redactie van Het Vaderland werd verwoord: hun opvatting ten aanzien van de rituele slacht is van ‘ja, mits…’ veranderd in een ferm ‘nee’ (met een heel kleine ‘tenzij’ eraan toegevoegd). Na 118 jaar heeft Zwitserland – waar het sjechtverbod nog steeds van kracht is – in Nederland een medestander gekregen.