De richtingen van de FNV

Richtingenstrijd is de Nederlandse vakbeweging niet vreemd. In 1975, kort voor de bundeling van de toenmalige vakcentrales NVV en NKV tot FNV, was er bijvoorbeeld zo’n gevecht. De Industriebond NVV zette zich in voor een maatschappij die op socialistische leest moest worden geschoeid, terwijl de overkoepelende vakcentrale zich juist bij de onvermijdelijkheid van het kapitalisme had neergelegd.

Verwijzingen naar het socialisme als gewenst stelsel zijn nu niet meer te vinden in de statuten van FNV Bondgenoten, waarin de Industriebond is opgegaan. Universele waarden als een democratische ordening en vrede tussen de volkeren worden wel benadrukt, evenals het streven naar een bestel waarin iedereen gelijke kansen worden geboden, met een rechtvaardige welvaartsverdeling als doel.

Zonder twijfel zullen bij individuele leden de socialistische idealen nog levend zijn. De groei in de afgelopen decennia van de Socialistische Partij is vanzelfsprekend van invloed op het functioneren van de vakbeweging.

Rechtvaardige welvaartsverdeling, in het bijzonder tussen jong en oud, is in wezen ook de inzet van het pensioenakkoord dat de FNV op centraal niveau heeft gesloten met het kabinet en de werkgevers, en waartegen de twee grootste FNV-bonden, Bondgenoten en Abvakabo, zich verzetten. Daarbij is van belang dat bijvoorbeeld FNV Bondgenoten streeft naar „democratische besluitvorming op alle niveaus”, en dus zeker niet in de laatste plaats binnen de eigen organisatie. FNV-leider Agnes Jongerius hoeft er niet op te rekenen dat de leden haar blindelings volgen.

Het lijkt er dus op dat de leden van Bondgenoten en de andere bonden binnen de FNV (samen zo’n 1,4 miljoen), evenals de 335.000 leden van de christelijke vakcentrale CNV en de 160.000 van de MHP, het lot van het pensioenakkoord in handen hebben. Niet-leden van een vakbond hebben het nakijken. Dat is een consequentie van de wijze waarop in Nederland de belangenbehartiging is georganiseerd.

Het is geen eenvoudige vraag die de vakbondsleden wordt voorgelegd, gezien de verschillende interpretaties van het akkoord die hun worden voorgeschoteld. Het is daarbij wel van belang hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden. Het feit dat politiek en sociale partners in staat zijn gebleken de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar op te geven en te verruilen voor een systeem waarbij op den duur de levensverwachting doorslaggevend is, is de kern. Een van de meningsverschillen gaat over het netto-inkomen van 65-jarigen in 2020. Van belang voor de betrokkenen, maar hopelijk ziet minister Kamp (Sociale Zaken, VVD) in dat op zo’n kwestie het pensioenakkoord niet zou moeten sneuvelen.