Collecties hebben nieuwe verhalen nodig

Op het wetenschappelijke onderzoek van Nederlandse musea wordt fors bezuinigd. De zes gevrijwaarde ‘topinstituten’ kunnen niet alle collecties bedienen.

„Wij zijn een topinstituut”, zegt Joël Cahen, directeur van het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Hij kan zijn uitspraak staven, want onlangs beoordeelde een visitatiecommissie het wetenschappelijke onderzoek door het museum als ‘excellent’.

Zijn museum is ook nog eens het enige instituut in Nederland dat zich bezighoudt met de studie van joodse materiële cultuur. Toch krijgt het, als de plannen van staatssecretaris Zijlstra van Cultuur doorgaan, net als de meeste andere gesubsidieerde musea geen geld van het Rijk meer voor zijn ‘wetenschappelijke functie’. Extra pijnpunt voor Cahen: het Catharijneconvent in Utrecht, het museum voor kerkelijk erfgoed, ontvangt straks nog wel een rijksbijdrage voor onderzoek.

De musea die subsidie van het Rijk krijgen, besteden hiervan jaarlijks in totaal ruim 6 miljoen euro aan wetenschappelijk onderzoek. Daar hoort alleen onderzoek bij dat met de eigen collectie te maken heeft, zoals de vervaardiging van bestandscatalogi, voorbereidend onderzoek voor tentoonstellingen en materiaalonderzoek voor behoud en beheer van de collectie.

Met het schrappen van de rijksbijdrage voor wetenschappelijk onderzoek volgt staatssecretaris Zijlstra het voorstel van de Raad voor Cultuur. De Raad stelt op basis van de recente visitaties vast dat veel van de door het Rijk gesubsidieerde musea weinig aan onderzoek doen. De meeste vinden het zeer belangrijk en willen wel, maar het ontbreekt hun aan geld en mankracht.

De Raad heeft daarom voorgesteld om het wetenschappelijk onderzoek – naast verzamelen, behoud en beheer, documentatie en presentatie een van de kerntaken van de musea – onder te brengen bij een beperkt aantal musea. In de plannen van Zijlstra komt dat neer op zes musea, die zich op hun terrein tot ‘topinstituten’ moeten ontwikkelen: het Catharijneconvent voor het religieus erfgoed, het Rijksmuseum van Oudheden voor archeologie, het Rijksmuseum en de Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie voor kunsthistorie, het Letterkundig Museum voor de literatuur, Naturalis voor biodiversiteit en het Museum voor Volkenkunde voor culturele antropologie en volkenkunde. Verder is het de bedoeling dat het Openlucht Museum de plek wordt voor onderzoek naar materieel erfgoed en volkscultuur.

Dat betekent dat behalve de studie naar joods cultureel erfgoed nog meer terreinen buiten de boot vallen. Zo is het Geldmuseum in Utrecht nog het enige instituut in Nederland dat zich met numismatiek bezighoudt. Kennis waarvan bijvoorbeeld archeologen dankbaar gebruikmaken als ze munten opgraven. En Museum Boerhaave staat wereldwijd bekend om zijn unieke collectie over de geschiedenis van de geneeskunde en natuurwetenschappen.

Bij de musea die straks geen rijksbijdrage voor onderzoek meer krijgen, is ook nog eens onduidelijk wat ze zich precies bij de plannen moeten voorstellen. „Moeten wij, als wij een tentoonstelling over Raphaël willen maken, tegen Wim Pijbes van het Rijksmuseum zeggen dat wij over twee jaar iets met die schilder gaan doen en of hij daar dan maar rekening mee wil houden?”, grapt Marjan Scharloo, directeur van Teylers Museum. Het is voor haar sowieso de vraag hoe ze straks onderzoek naar bijvoorbeeld hun collectiegeschiedenis gaan financieren. Dat geldt ook voor de aanstelling van een Verlichtingsconservator. Immers, Teylers staat als toonbeeld van de Verlichtingsidealen sinds kort op de Voorlopige Lijst Werelderfgoed van Nederland. „Dat zijn ze kennelijk even vergeten.”

Het ministerie zegt niet dat de op onderzoek gekorte musea geen wetenschappelijk onderzoek meer mogen doen. Het Van Gogh Museum mag doorgaan met de uitgave van de brieven van de schilder en onderzoek naar zijn atelierpraktijk, het Joods Historisch Museum mag verder gaan met onderzoek naar in de Tweede Wereldoorlog geroofde judaïca en met beheer en onderzoek van de Ets Haim, de oudste nog functionerende joodse bibliotheek ter wereld. Maar ze zullen dat anders moeten organiseren en financieren.

Frits Loomeijer, directeur van het Maritiem Museum Rotterdam, heeft hier al enkele jaren ervaring mee. Zijn museum wordt niet door het Rijk gesubsidieerd, maar ook zijn subsidiegever, de gemeente Rotterdam, had geen geld meer voor onderzoek. Daarom hebben ze in 2008 een trust opgericht. „Afgelopen herfst hebben we daarmee een fellow aan het Corpus Christi College in Oxford kunnen aanstellen; hij moet voor ons een internationaal netwerk opzetten. Volgend jaar hopen we een onderzoeksconservator aan te stellen die ook bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit wordt.” Fondsen werven voor wetenschappelijk onderzoek is moeilijk, voegt hij er aan toe, „een schilderij kunnen geldschieters zien, maar onderzoek is abstract.” Toch noemt hij onderzoek van fundamenteel belang voor een museum. „Anders blijf je in dezelfde groef hangen. Voor nieuwe verhalen over je collectie is onderzoek nodig.”