Wilders’ waanbeelden gedijen het beste in verwarring

Wilders vrijspreken was een verstandige beslissing. Maar de motivering van de rechter was onbegrijpelijk.

Wilders mag nu vrijuit verwarring zaaien.

De rechter is er met open ogen ingetrapt. Van alle drogredenen uit het repertoire van Geert Wilders pleitte de bedrieglijkste hem uiteindelijk vrij.

Vooropgesteld: die vrijspraak is terecht. Een veroordeling zou volstrekt ongefundeerd en buitengewoon problematisch zijn geweest. Hoe stel je onomstotelijk vast dat iemand ‘haat’ zaait? En al zou dat te bewijzen zijn, hoe strafbaar is het ‘zaaien’ van iets dat zélf niet strafbaar is? Zolang de aversie jegens anderen niet leidt tot aantoonbare strafbare gedragingen, zoals bedreiging, chantage of geweld, heeft een rechter niets te zoeken in de gedachtewereld erachter – al was het maar omdat ons land totale gewetensvrijheid kent. Omgekeerd geldt ook dat in een vrije samenleving niemand het recht heeft niet beledigd te worden; zou daar de grens van het debat worden getrokken, dan werd het gauw stil in dit land. De rechter heeft ons met de vrijspraak heel wat oeverloze juridische gevechten bespaard.

Maar zo wijs als het vonnis was, zo onbegrijpelijk was de motivering ervan. Een van de doorslaggevende argumenten luidde dat van strafbare opruiing, belediging of discriminatie geen sprake was, omdat Wilders expliciet onderscheid maakt tussen de ideologie islam aan de ene kant en moslims aan de andere. Of zoals de rechter het zelf formuleerde: omdat Wilders benadrukt „niets tegen moslims te hebben, maar wel tegen de islam” is de conclusie gerechtvaardigd dat er „geen sprake is van aanzetten tot haat jegens mensen.”

Daarmee legitimeert de rechter een van de slimste retorische trucs uit het boekje van de PVV-leider. Een truc die Wilders noodgedwongen gebruikt, vanwege zijn essentialistische opvatting van de islam. Dat wil zeggen, volgens Wilders is de islam een statisch, onveranderlijk geloof dat maar op één manier te interpreteren valt, namelijk: als een gewelddadige en totalitaire ideologie. „Er is geen gematigde islam”, stelt de PVV-leider in bijna ieder debat of interview, „er is slechts de fascistische islam.” Dit essentialisme zal het ongetwijfeld goed doen bij de radicale Amerikaanse en Israëlische anti-islambewegingen die hem al jaren financieren, maar juridisch gezien begeeft hij zich ermee op glad ijs. Want als er slechts één soort islam is, dicteert de logica dat er ook maar één soort moslim kan bestaan: die van het salafistische soort, het type-Al-Qaeda.

Deze gevolgtrekking zou op zijn beurt tot strafbaarheid leiden: Wilders’ streven om ‘de islam’ met wortel en tak uit te roeien, zou dan immers gelijkstaan aan het uitroeien van moslims zelf. Om dat verband te voorkomen, introduceerde de PVV-leider – geïnspireerd door arabist Hans Jansen en jurist Afshin Ellian – omstreeks 2006 dan ook dat beruchte onderscheid tussen ‘de islam’ (die intrinsiek kwaadaardig is) en ‘moslims’ (die wél gematigd kunnen zijn). Een onderscheid dat acuut de vraag opwerpt: als het de intrinsiek kwaadaardige islam niet is, wát maakt volgens Wilders een gematigde moslim dan nog een moslim?

Slechts drie rationele verklaringen zijn mogelijk. De eerste luidt dat een gematigde moslim zijn eigen religie niet begrijpt, en dus gematigd is bij gratie van een misverstand. Dat is al sinds 2001 de officiële positie van Afshin Ellian. De tweede luidt dat een gematigde moslim zijn ware aard verbergt, en dus gematigd is bij gratie van een leugen. Dat is al sinds omstreeks 2005 de officiële positie van Hans Jansen en PVV-ideoloog Martin Bosma. De derde luidt dat een gematigde moslim strikt genomen helemaal geen moslim is. Dat was tot 2 mei 2011 de officiële positie van Osama bin Laden.

De enige verklaring die door de logica wordt gelogenstraft, is de positie die Geert Wilders al ruim vier jaar inneemt: dat een intrinsiek radicale islam en gematigde moslims naast elkaar kunnen bestaan. Mark Rutte torpedeerde in 2008, als oppositieleider, deze innerlijke tegenspraak al eens tijdens het debat over de film Fitna. Wilders stelde toen: „Mijn film gaat niet over moslims; mijn film gaat over de islamitische ideologie.” „Oh”, reageerde Rutte toen verbaasd, „dan heb ik het helemaal verkeerd begrepen. Waarom zegt u dan: ‘Een immigratiestop voor alle islamieten naar Nederland’? Dan gaat het u toch wel degelijk om islamieten?” Waarop Wilders antwoordde: „Wij vinden inderdaad dat er een immigratiestop moet komen voor mensen uit die landen. Niet omdat wij vinden dat alle moslims niet deugen, dat hebben wij er niet mee gezegd. Maar omdat wij vinden dat ze allemaal een ideologie meebrengen, dat ze allemaal een cultuur meebrengen, die haaks staat op de onze.”

Hoe, is dan de cruciale vraag, brengen zij die verwerpelijke ideologie precies met zich mee? Doelt de PVV-leider hier uitsluitend op de koran in hun koffer? Zo ja, is een importverbod voor korans dan niet afdoende? En zo nee: is die ideologie dan kennelijk toch niet onderdeel van de moslim zelf? Hoe dieper Wilders zich in deze onhoudbare positie manoeuvreert, hoe vaker hij zijn uitvlucht zoekt in retorische kunstgrepen. Zo bezigt hij voortdurend obscure antropomorfismen: de ideologie islam zou „gewelddadig” en „op werelddominantie” uit zijn; een gekunstelde manier om eigenschappen aan denkbeelden toe te schrijven die in werkelijkheid alleen aan mensen voorbehouden zijn. Ideologieën an sich kunnen immers nooit ‘gewelddadig’ of ‘op werelddominantie’ uit zijn – dat kunnen alleen de aanhangers ervan.

Voor alle duidelijkheid: het is niet per definitie incoherent om mensen los van hun opvattingen te zien. Praktisch de hele politieke mores is zelfs op dat onderscheid gebaseerd: de SP is tegen kapitalisme, niet tegen kapitalisten; de VVD is tegen socialisme, niet tegen socialisten. Het grote verschil is echter dat SP’ers en VVD’ers deze ideologieën niet essentialistisch opvatten. Alleen dan kun je de ideologie ‘bestrijden’ zonder de mensen te bedoelen.

Maar Wilders beschouwt – anders dan bijvoorbeeld Ayaan Hirsi Ali – de islam als onveranderlijk en voor maar één interpretatie vatbaar: ze is kwaadaardig en zal dat altijd blijven. Het onderscheid tussen de gelovigen en hun geloof is daarmee slechts een strategie om te verhullen waartegen hij nu precies ten strijde trekt als hij zegt „minder islam” in Nederland te willen.

Nogmaals, de PVV-leider komt alle vrijheid toe die strijd te verkondigen. Maar nu de rechter dat troebele onderscheid heeft onderschreven, wordt het des te prangender daar eens helderheid over te eisen. Tot die tijd zaait hij namelijk geen haat, maar wel verwarring. En dat is misschien nog erger. Want in verwarring gedijen waanbeelden het beste.