Wees een snob en hou van deze stad

Om in Parijs te overleven moet je de regels kennen, zegt de Brit Stephen Clarke, auteur van ‘A Year in the Merde’. „Zeg beleefd bonjour hier en excusez-moi daar, dan is dit een geweldige stad.”

Het was om een even simpele als clichématige reden dat de Brit Stephen Clarke achttien jaar geleden vanuit zijn thuishaven Bournemouth naar Parijs verhuisde.

„Iemand bood me hier een goedbetaalde baan aan, geen stress, en zeven weken vakantie per jaar. En het bleek ook nog zo goed als onmogelijk om me te ontslaan. Toen ik vijf jaar geleden zelf opstapte om na het succes van mijn eerste boeken voltijds te gaan schrijven, verklaarden mijn baas en mijn collega’s me compleet voor gek. Wie geeft er nu hier zijn baan op? Dat deed niemand. De baas had ook zelf nog nooit iemand ontslagen, zelfs niet als iemand heel erg lui of inefficiënt was.”

Conservatief, op veilig spelend, weinig innovatief en hogelijk verbaasd als je eens uit de band springt. Dat is het beeld van de Parijzenaar. En dan is er dat andere, romantische ideaalbeeld van de hoofdstedeling: het revolutionaire. „Dat is pas echt een mythe! Ik wil nog wel een milde uitzondering maken voor mei ’68, maar als Franse jongeren tegenwoordig massaal de straat op gaan, dan is het om de status quo te behouden. Hetzelfde geldt voor arbeiders en bedienden. Frankrijk revolutionair? Tien jaar na 1789 was er alweer een keizer aan de macht. Wat een volksrevolutie! En in 1943 zaten de meeste Parijzenaars gewoon op een terrasje.”

Door zijn baan bij een uitgeverij werd Clarke, toen hij in de stad ging wonen, onmiddellijk ondergedompeld in het Parijse leven. Nu, ook in dit gesprek, wisselt hij Engels af met vloeiend Frans. Maar het duurde een hele tijd voor hij begreep hoe Parijs in elkaar stak. „En eerlijk, eigenlijk is het pas sinds ik die boeken over Parijs schrijf, dat ik het een beetje snap, ook door er met enige ironie naar te kijken. Ik heb er tien jaar over gedaan om Parijs een beetje te leren kennen. Maar ach, veel Parijzenaars weten ook niet precies hoe deze stad in elkaar zit, ze weten niet hoe ze Parijs kunnen laten werken voor hen. En dan is het hier een erg lastige plek om te leven.”

Clarkes debuut uit 2004 heette niet voor niets A Year in the Merde, een vermakelijk boek over de moeilijkheden van het alledaagse leven in Frankrijk.

In Parijs valt alleen te overleven als je even arrogant en snobistisch wordt als de Parijzenaars zelf, zegt Clarke. Want iedere Parijzenaar heeft wel iets om over te snoeven. „Als je in het chique zevende arrondissement woont, met zicht op de Eiffeltoren, voel je je verheven boven de rest van de wereld. Maar in het veel minder chique 19de arrondissement, in het noordoosten, voelen de petanquespelers van de Quai de la Loire aan het Bassin de la Villette zich veel beter dan die van de overkant, die van de Quai de la Seine. Want hun Loire-petanquebaan ligt bij zomeravonden gewoon langer in het zonnetje. Meer is er soms niet nodig om je meer Parisien te voelen dan een ander.”

Meebuigen met die levenshouding is de enige manier om hier te overleven, zegt Clarke. „Je moet gewoon weten wat je wilt, en laten merken dat je dat zult krijgen. En als je dat op een beleefde manier doet, met een bonjour hier en een excusez-moi daar, dan is dit een geweldige stad.

„Sommige fietsers proberen de auto’s niet te hinderen door tussen de rijbanen te fietsen, maar het is verstandiger je breed te maken en een hele autorijstrook voor je op te eisen, want anders rijden ze je van je sokken. Zo moet je je overal gedragen in het Parijse leven. Dan dwing je respect af. Ook als je gewoon een afspraak wilt bij de oogarts. Parijs is een spel, maar de een heeft de spelregels iets sneller door dan de ander. Het ligt trouwens niet alleen aan ons buitenlanders. Er zijn ook Fransen die de regels niet helemaal snappen. ”

Dat harde leven is een beetje in tegenspraak met het beeld dat we hebben van het romantische Parijs vol beschaafde, smaakvol geklede dames en heren.

„O, maar dat Parijs bestaat, 100 procent. Dit is een stad met de allermooiste vrouwen en mannen, schitterende gebouwen, prachtige kunst, heerlijk eten, delicieuze wijnen. Maar ook een stad van scheldende taxichauffeurs en arrogante obers. Het punt is: die twee zijn volledig complementair. Het romantische, goddelijke Parijs kan niet zonder het vulgaire Parijs. Parijs is een volbloed diva, maar je tolereert dat, want ze stelt nooit teleur. Parijs is het tegenovergestelde van Amy Winehouse: Parijs zal nooit stomdronken afhaken. Parijs heeft altijd haar perfecte, licht benevelde voorstelling klaar. En alle bezoekers vinden het heerlijk om thuis niet alleen te kunnen vertellen dat ze de Mona Lisa hebben gezien in het Louvre, maar ook dat ze zijn afgebekt door zo’n arrogante ober. Dat laatste was wellicht hun eigen schuld, omdat ze de spelregels niet kennen, maar het hoort bij de Parijs-ervaring.”

Is het ook de kunst van het verleiden?

„Dat zouden de meeste mannen wel willen, maar ik vind het onzin. Het gaat vooral om beleefdheid en respect en weten wat je wilt. Die ober heeft er geen boodschap aan om duizend keer per dag verleid te worden. Die heeft wel wat beters te doen.”

En toch denken de meeste mensen bij Parijs aan de Eiffeltoren, de Pont Neuf, de Seine-oevers, de lichtjes van de Champs-Elysées. Veel minder bekend zijn de grauwe arbeiderscités in Belleville, de schimmelige tentjes van de daklozen op de Place de la République, de drugshoeren rond Porte de la Chapelle.

„Fransen zijn goed in het romantiseren, zowel van het verleden als van het heden. In het Londen van de negentiende eeuw waren ook bordelen, maar de Engelsen hadden geen Émile Zola om er mooi over te schrijven. En Parijs is fantastisch goed in het bewaren en bewaken van het eigen imago. Er is een speciale dienst op het stadhuis die de afspraken regelt voor de bijna achthonderd films die hier jaarlijks worden opgenomen. Daarom ziet de Franse cinema er altijd hetzelfde uit, de weinige innovatieve jongeren die er zijn krijgen nauwelijks een kans. Zeventig procent van de subsidies gaat naar vier producenten.”

Er is in Parijs niet zo heel erg veel veranderd sinds de stadsarchitect baron Georges-Eugène Haussmann halverwege de 19de eeuw de stad drastisch heeft verbouwd. „Dingen bewegen hier erg langzaam, veel blijft hetzelfde. Daarom komen bezoekers ook zo graag terug natuurlijk, Parijs heeft altijd iets vertrouwd.”

Tegelijk heeft Clarke er een grondige hekel aan: het gebrek aan dynamiek, dat hij wel ziet in steden als Berlijn of Londen. Vechten, lijden voor je kunst, dat kennen Parijse artiesten nauwelijks. „Hier heerst in alles de eeuwige status quo. Het is een systeem waarbij het establishment zichzelf verrijkt. Vooral aan de Franse politici heb ik in de loop der jaren een hekel gekregen. Het is een arrogante elite die denkt dat het land er voor hen is, en niet omgekeerd. Ze combineren drie jobs met prachtige salarissen en hebben een geweldige levensstijl. Op de eliteschool ENA (École nationale d’administration) is hun al ingeprent hoe fantastisch ze zijn. De eerste Franse politicus met enige zelfreflectie moet nog geboren worden. Je zou bijna hopen op een revolutie, Frankrijk en Parijs hebben er echt behoefte aan. Wat dat betreft was de affaire rond Dominique Strauss-Kahn al een kleine omwenteling: voor het eerst wordt iemand van het establishment behandeld als een crimineel. Ook al gebeurde het in de Verenigde Staten en was daar dan weer kritiek op, voor veel Fransen was het een soort wake-up call.”

Clarke mag zijn kritiek vaak spuien op de Engelstalige nieuwszender France24. „Het wordt getolereerd hoor, de meesten vinden het zelfs leuk. De Fransen hebben ook een mooie traditie van politieke satire, met bladen als Le Canard enchaîné en Charlie Hebdo, of Les Guignols de l’info op televisie. Er wordt om gelachen, maar helaas verandert er niets. En humor en ernst blijven hier strikt gescheiden. Tongue in cheek kennen ze niet en met een ernstig gezicht een grap vertellen, daar snappen ze ook al niets van.”

Je zou haast denken dat u het nog steeds niet erg naar uw zin heeft in Parijs.

„Ook ik houd van de schoonheid van Parijs. Ik vind het zalig om te verdwalen in de steegjes van de Marais, waar je je nog in de Middeleeuwen waant. Ik vind het heerlijk oesters te eten bij brasserie La Coupole, waar het interieur sinds de jaren twintig niet is veranderd, of een coupe champagne te drinken in de tuin van het Ritz-hotel. Maar ik kom ook graag hier, aan de oever van het Bassin de la Villette, waar ik kan wegdromen bij een kop koffie. Ik ben dol op die kleine geneugten van Parijs. Voor Parijzenaars is de dag een beetje aangenaam doorbrengen het allerbelangrijkste in het leven. Daar slagen ze ongelooflijk goed in. En dat moet uiteraard absoluut zo blijven.”

Morgen: De grootste uitdaging voor Parijs