Waardering technologiebedrijven blijft achter

Microsoft, Apple en Google – die samen meer dan 650 miljard dollar waard zijn – lijken meer dan genoeg groeipotentieel over te hebben, maar dat blijkt niet uit de waardering van hun aandelen. De aandelen van de drie technologiereuzen, na verrekening van hun kastegoeden, worden verhandeld onder het gemiddelde prijsniveau op de beurs.

Dit fenomeen is niet nieuw. Beleggers hebben de sector de afgelopen veertig jaar twee maal langdurig gemeden, omdat ze bang waren dat de producten van deze bedrijven snel zouden verouderen.

Intel heeft dit bijvoorbeeld al eens ervaren. Midden jaren 70 konden de aandelen van deze destijds snel groeiende chipproducent voor slechts zes maal de winst worden gekocht. Weinig beleggers grepen die kans echter, omdat ze vlak daarvoor hun vingers hadden gebrand.

Een paar jaar eerder waren beginnende producenten van mainframe-computers als Control Data zeer in trek geweest. En IBM en Xerox hadden een plek veroverd op de lijst van grote bedrijven, waarvan werd gedacht dat ze altijd maar zouden blijven groeien. Die zeepbellen knapten toen er minder orders voor nieuwe computers kwamen en de zogenoemde blue chips (technologiebedrijven) in zwaar weer belandden.

Begin jaren 80 hervonden beleggers hun enthousiasme voor groeifondsen. Hewlett-Packard, met zijn goedverkopende desktops, werd omgestuwd naar een niveau van 28 maal de verwachte winst. Ook Intel raakte weer in trek en werd gewaardeerd op een niveau van maar liefst zestig maal de winst. Intussen werd de S&P 500-index verhandeld voor slechts twaalf maal de winst.

De recessie zorgde aan het eind van dat decennium voor een nieuwe inzinking. De waardering van veel kleinere bedrijven daalde zelfs tot beneden de waarde van de kastegoeden in hun boeken, aldus de High Tech Strategist-nieuwsbrief van Fred Hickey.

Opmerkelijk genoeg hadden groeikanjers het net zo zwaar als de gevestigde technologiebedrijven. Compaq, een van de toonaangevende producenten, kende een winstgroei van meer dan 60 procent per jaar, maar werd verhandeld voor slechts negen maal de winst, ofwel de helft van het gemiddelde peil. Het zou nog vijf jaar duren voordat de technologiefondsen opleefden.

Microsoft, Apple en Google mogen dan nu goedkoop lijken (respectievelijk 7,5, 9,8 en 11,5 maal de voor de kastegoeden gecorrigeerde winstverwachtingen voor 2011, tegen 13 maal voor de bredere markt), de geschiedenis laat zien dat deze korting kan aanhouden.

De bereidheid van beleggers om niet-winstgevende bedrijven als LinkedIn en Pandora hoog te waarderen, betekent dat zij hun neus nog niet ophalen voor de hele sector. Net als vroeger zou het wel eens zo kunnen zijn, dat grote technologiebedrijven op die dag moeten wachten vóórdat hun aandelenkoers weer kan gaan klimmen.

Robert Cyran

Vertaling: Menno Grootveld