Verfomfaaide mini-mummies en jodenkers

Wat krijg je als de kunst zich meester maakt van de natuur?

Plantlandschappen, spookbladen en post-mortemportretten van insecten.

Een herfstige avond in, laten we zeggen, 1760. Het regent pijpestelen en weer joelt de wind om het huis. Kaarslicht flakkert, het houten dak kreunt en de avond duurt nog zo lang. Tijd voor een hobby: het drogen en inplakken van dode bloemen en planten, de oogst van de voorbije zomer. In de achttiende en negentiende eeuw stelden veel burgers een herbarium of bloemenboek samen, met name vrouwen.

De naam Dorothea Gerardina Schuurman (1830-1907) zou door de tijd zijn weggevaagd als zij niet zo’n bloemenboek had nagelaten. Toen ze weduwe was geworden van een Lutherse predikant, nam haar zoon haar mee op vakanties. Langs velden en wegen kon Dorothea het plukken niet laten, ze noteerde wat en waar, en sloeg thuis aan het drogen.

Haar boek is nu in het bezit van het Zeeuws Genootschap in Middelburg, dat het deze zomer heeft uitgeleend aan het Zeeuws Museum. En dat museum heeft op zijn beurt onlangs Botanical Pleasure uitgebracht. Eigenlijk een catalogus van een hedendaagse presentatie, maar ook weer niet; want anders zou Dorothea er niet in voorkomen.

Frank Bruggeman – hij noemt zichzelf tuinder, botanicus, bloemist en verzamelaar – is zowel de schrijver/samensteller van het boek als de exposant in het Zeeuws Museum. Hij werd gevraagd ‘te reageren’ op de natuurhistorische collecties. Bruggeman maakt al langer flowerpieces en plantscapes. Barokke zo niet woeste assemblages van al wat er bloeit of recentelijk gebloeid heeft. Je komt er de kuiflelie, rietsigaar en schoonvrucht in tegen, maar ook de slagersplant, olifantenpoot en de lampionplant oftewel ‘jodenkers’.

Nooit geweten trouwens dat die laatste plant genoemd is naar de muts die Joden in sommige landen in middeleeuws Europa moesten dragen. Die muts leek namelijk op de kelk van de plant en het woord ‘kers’ is er aan toegevoegd omdat de vrucht van de plant eetbaar is.

Bruggemans werk onderscheidt zich in alles van het Albert Heijn-boeket. Met een speelse nonchalance ordent, bundelt of componeert hij zijn botanische vondsten, gedaan in wastelands en wegbermen. Of wat ook kan: hij combineert volle vazen en potten tot iets wat een installatie heet, maar eerder op een tafeltuin lijkt. De potten, bakken en andere onnatuurlijke toevoegsels zijn consequent cyaanblauw geschilderd, Bruggemans ‘ultieme contrastkleur’, zoals hij in het boek vertelt in een interview dat hij zichzelf afnam. Vandaar dat je tussen de kille architectuur op de Zuidas tegen felblauwe bouwafvalcontainers kan oplopen, vol struiken.

Botanical Pleasure biedt veel foto’s, panorama’s en close-ups van de controversiële Hedwigepolder, waar Bruggeman een film over maakte. Maar eerlijk is eerlijk, de meest verrassende afbeeldingen in het boek laten iets heel anders zien: bladen van een tot nu toe onbekend herbarium (verzameling gedroogde planten) dat Bruggeman bij wijze van primeur mag tentoonstellen. Het herbarium telt 346 gedroogde planten op evenzoveel losse bladen, het dateert uit het eind van de 17de eeuw en is een van de oudste in Nederland. Eind vorig jaar kwam het dankzij een familie uit Nieuwerkerk (Schouwen-Duiveland) in bezit van het Stadhuismuseum in Zierikzee.

De anonieme samensteller van het herbarium, vermoedelijk een Zeeuwse arts of apotheker, deed eigenlijk hetzelfde als Dorothea Schuurman, maar dan vakkundig en met allure. Hij vlijde steeds de stengel van de plant of tak midden op het papier en hield zorgvuldig de ritmiek van de bladen aan. De plantennamen op de handgeschreven etiketten verwijzen naar de classificatie van de Zweedse botanicus Carl Linnaeus (1707-1778), en de etiketten die daaronder zitten werden ontleend aan diens voorganger, de Zwitser Gaspard Bauhin (1560-1624). De vazen waaruit elke plant oprijst, zijn later toegevoegd, en geknipt uit vellen met steeds dezelfde afbeelding. Net als bij de eigentijdse naturaliën van Bruggeman vermeldt het boek ook de plantennamen uit dit herbarium. Zet je die achter elkaar, dan levert dat soms een maffe erotische dichtregel op: gezegende distel, madeliefje, heermoes, grote klit en zwarte nachtschade.

Hoe zoet die namen ook klinken, veel planten uit dit herbarium krijgen op papier de monumentaliteit van een boom. Van een fictieve boom, zonder een kroon maar met bladen ter grootte van takken. Bladeren van de grote weegbree schikte die anonieme arts tot waaier; de haagwinde zwiert even onstuimig op papier als in werkelijkheid, en een blad van de Turksche weyt – oftewel mais – is zo aangetast door de eeuwen dat het kan doorgaan voor een minimalistisch kunstwerk: één lijn met één vlek.

Zulke aangevreten bladen noemt Bruggeman, redacteur van het groenblad Club Bonny, ‘spookbladen’. Van de plant is dan nog maar een vaag geraamte over, een schimmelige aftekening van de nerven. Behalve tijd en klimaat hebben ook insecten ruimhartig bijgedragen aan het verval. Misschien werden de beestjes per ongeluk meegeplakt met de plant; het ligt meer voor de hand dat ze tijdens hun zoektocht naar voedsel of veiligheid tussen de bladen verdwaald of geplet raakten.

Wie overigens denkt dat er aan planten wél, maar aan insecten geen artistieke eer is te behalen, moet maar eens een blik werpen in het eveneens onlangs verschenen fotoboek Arthropoda van beeldend kunstenaar Harold Strak, een uitgave van grafisch vormgever en galeriehouder Willem van Zoetendaal. Strak heet net zo goed een verzamelaar van naturaliën, maar dan wel van het minuscule soort. Hij trof zijn ‘geleedpotigen’ – vandaar die titel – dood aan tussen de rommel op zijn atelier. Elke mug of nachtvlinder werd als stilleven opgebaard tussen twee glasplaatjes en vervolgens tegen een zwarte ondergrond geportretteerd met een niets ontziende technische camera. Zodoende blader je nu in het brede boek van de ene naar de andere verfomfaaide mini-mummie. Zeventig bizarre foto’s in totaal. Soms bleven er van een wesp wat wattendraden over, bijeengehouden door strakke sprieten die ooit poten en vleugels heetten. De meeste post-mortemportretten lijken in niets meer op het leven dat eraan voorafging. Je associeert de beestjes eerder met flarden van buitenaards afval dat voortzweeft in een universum vol verre sterren – de stofjes die de technische camera ook registreerde bij de opname.

Frank Bruggeman: Botanical Pleasure. Architectura & Natura, 128 blz. € 24,50

Harold Strak: Arthropoda. Van Zoetendaal Publishers, 50 blz. € 45,-

Tentoonstelling Botanical pleasure. T/m 26/9 in het Zeeuws Museum in Middelburg.