Nederlanders relativeren niet

Van Johann Wolfgang von Goethe, groot schrijver en staatsman, achtbaar wetenschapper en gewetensvol filosoof, is gelukkig een uitspraak bekend over het belang van kunstkritiek: Schlagt ihn tot, den Hund! Es ist ein Rezensent.

Nu deze dagen een mars wordt gehouden voor de beschaving, komt de vraag op wat beschaving is. Je kunt je voorstellen dat beschaving is te vinden in de kunst, maar ook in kunstkritiek, en zelfs in gedichten die oproepen tot het doodslaan van de criticus. Zoals u weet, is debat heel belangrijk voor het samenleven; en zoals u sinds kort ook weet, zijn shockeren en aanstoot geven van groot belang voor het debat. Dus als ik hier nuance in de beschavingsdebatten bepleit, zal ik me net zo min inhouden als Goethe. Bloed wil ik zien. Bloed!

Goethe onderscheidt twee soorten kritiek. Ten eerste noemt hij de verwoestende – zerstörende – kritiek. Die is gemakkelijk uit te oefenen. Je neemt een maatstaf in gedachten, hoe onnozel en ondoordacht ook. Daar word je vervolgens heel stellig over. Pas je die maatstaf toe, dan blijkt al gauw dat heel veel kunst niet eraan voldoet. Die kunst deugt dus niet. Daarmee is de zaak afgedaan. „Zo bevrijdt men zich van dankbaarheid tegenover de kunstenaar.”

Deze eerste vorm van kritiek, zou je eraan kunnen toevoegen, kom je niet alleen tegen in het praten over kunst, maar ook bij het oordelen in het algemeen. Het maakt het hebben van een mening erg gemakkelijk. Je signaleert een tendens, om het even welke, en je bent ertegen. Zeg dat de maatschappij verrechtst of verlinkst en wees daartegen. Signaleer populisme of intellectualisme en wijs het af. André Rieu, het Orkest van de Achttiende Eeuw, dierenwelzijn, godsdienstige plichten – pas je simpele maatstaf toe en weg ermee.

Zo’n stellige aanpak wordt nog vergemakkelijkt door het gebruik van stellige taal. In mijn knipselmappen vond ik zojuist een artikel terug over de stijl waarin Nederlandse wetenschappers hun teksten schrijven. Taalkundige Joy Burrough promoveerde een aantal jaar geleden op een onderzoek waaruit bleek dat Nederlanders kortere zinnen schrijven en minder relativeren dan Engelse collega’s. Die Engelsen hielden twee keer vaker dan Nederlanders een slag om de arm: This might be caused by… It seems likely that…

Voor zakelijke brieven was het verschil ook al eens onderzocht. Ook daar bleken Engelsen hun verzoeken in negenennegentig van de honderd gevallen te verzachten – „ik zou het op prijs stellen als…” – waar Nederlanders dat bijna nooit doen. De directe, stellige en zelfverzekerde toon wekt bij de lezer een gevoel van irritatie op, concludeerde Burrough. Wie ooit een verzoek van een Nederlandse wetenschapper heeft gekregen, weet hoe waar dat is. Zo’n Nederlandse wetenschapper laat zijn verzoek om medewerking immers steevast volgen door de boodschap dat hij maatstaven hanteert en dat je medewerking dus waarschijnlijk zal worden afgewezen. Sodemieter, denkt de geïrriteerde lezer dan. Schlagt ihn tot, den Hund!

De tweede vorm van kritiek is de opbouwende kritiek – produktive Kritik, volgens Goethe. Die kritiek vraagt zich af wat de kunstenaar kan hebben bedoeld, wat de ander tegenover je wil zeggen, wat het oogmerk is van degene die je bekritiseert. Is het doel dat die ander zich stelt verstandig? Lukt het hem om zijn voornemens uit te voeren? Hier is het belangrijk, zegt Goethe, om te benadrukken dat je niet oordeelt om het publiek te plezieren, maar om de kunst vooruit te helpen.

Deze opbouwende vorm van kritiek zou je willen tegenkomen in het maatschappelijke debat. Dan signaleer je een tendens niet om deze af te wijzen of om je publiek te plezieren, maar om te begrijpen wat eraan ten grondslag ligt. De altijd verstandige John Stuart Mill zegt dat „negenennegentig op de honderd zogenaamd ontwikkelde mensen” zich nooit hebben verplaatst in de geestesgesteldheid van mensen die anders denken dan zijzelf en dat ze zich nooit hebben afgevraagd wat zulke mensen te zeggen zouden kunnen hebben. „En als gevolg daarvan zijn zij niet, in de eigenlijke zin van het woord, vertrouwd met de overtuiging die zij zelf aanhangen.”

Dat is wat beschaving, in de traditie van Goethe en Mill, zou moeten brengen – niet een simpele maatstaf waarmee je de mening van een ander kunt afserveren, geen criterium om je verheven te voelen, maar de bereidheid om uit te zoeken waarom anderen ergens anders over denken.

Voor die vorm van kritiek en beschaving is stellige taal niet het beste vehikel. Als in de komende jaren één gevaarlijke vorm van armoede dreigt, is het armoede van taal. Beroof je kinderen van cultuur en taal, dan beroof je ze van de mogelijkheid om meer dan één register te bestrijken, om zich te verplaatsen in de denkwereld van een ander en zo zicht te krijgen op hun eigen overtuiging – met toenemende polarisatie tot gevolg.

Ons denken moet, kortom, opbouwend zijn. Als mensen niet vanzelf tot opbouwend denken besluiten, doen we wat de grote dichter Goethe zegt. Dan rammen we het erin.