Kunstenaar zijn is geen basisrecht

De bezuinigingen zijn visieloos, maar kunstenaars zijn te zelfvoldaan. Daarom liep Jasper van Kuijk gisteren niet mee in de Mars der Beschaving.

Ik was gisteren niet bij de Mars der Beschaving, ook al vind ik de bezuinigingen visieloos en onverstandig. De afgelopen decennia is kunst voor lief genomen, vooral door de kunstsector zelf. Kunstenaars zijn vergeten om uit te leggen wat de waarde is van kunst, wat het mooie is van kunst, waarom kunst het leven verrijkt. Een hele generatie makers is opgegroeid met het idee dat ze het recht heeft om kunstenaar te zijn en dat de overheid daarvoor moet betalen. Ze bezit de argumenten noch de motivatie om aan anderen – publiek en financiers – uit te leggen wat kunst mooi maakt. „Anders heb ik straks geen baan meer” is geen argument voor kunstsubsidies.

Kunst zonder publiek heeft alleen waarde voor de kunstenaar en ingewijden. Experimenteren is belangrijk, want het leidt tot innovatie, maar onder dat mom is ook een hoop onzin en bagger gemaakt.

Kunstenaar zijn is geen basisrecht. Ik zag een meisje op tv dat dans studeert en over de bezuinigingen zei: „Ja, maar ik wil gewoon heel graag dansen.” Dat snap ik. Zelf wil ik heel graag schrijven. Ik wil heel graag piano spelen. De manier om dat te kunnen blijven doen, is door daar goed in te worden en een publiek te vinden. Het is een basisrecht om jezelf uit te drukken, maar niet om daar geld voor te krijgen.

Op het moment dat wat jij maakt uit gemeenschapsgeld wordt bekostigd, heb je de verantwoordelijkheid om te bewerkstelligen dat mensen komen kijken naar wat je maakt. Dat je de boer op gaat om je zaal vol te krijgen. Dat je je best doet om iets te maken wat mensen willen zien.

Is overheidsfinanciering en -subsidie van kunst dan niet nodig? Jawel. Juist wel. Overheidsfinanciering maakt mogelijk dat dingen kunnen worden gemaakt die niet mogelijk zijn op puur commerciële basis, omdat ze simpelweg te duur zijn (opera), of te weinig publiek trekken, of te experimenteel zijn. Maar subsidie maakt ook laks. Ik stond enige jaren geleden met een collega-aanstormend-cabarettalent in een jeugd- annex cultuurcentrum. Iets verderop stond het die avond niet gebruikte theater, bekostigd door diezelfde gemeente. Het cultuurcentrum wilde desondanks ook „iets met cabaret” doen. We hebben die avond gespeeld voor drie betalende bezoekers, zeven vrijwilligers, en de – betaalde – directrice. „Ja, we hadden wel een poster opgehangen bij de supermarkt, maar er komen dan toch weinig mensen.”

Een wit kruis is het symbool geworden van de Mars der Beschaving. Dat sommige podiumkunstenaars voorstelden om dat witte kruis te dragen op de plek waar in ’40-’45 de Jodenster moest worden gedragen, getuigt behalve van wansmaak ook van weinig relativeringsvermogen. Het Concertgebouworkest – waarop niet wordt bezuinigd – loopt niet mee in de mars. De Mars der Beschaving lijkt vooral een Mars der Behoeftigen te zijn.

Om de verontwaardigde, zelfvoldane houding van kunstenaars, om het uitmaken van minder elitaire kunstliefhebbers voor barbaren, om het gebrek aan zelfreflectie, daarom liep ik niet mee – met pijn in het hart, want ik realiseer me dat ik daarmee ook niet opkom voor hardwerkende theaterdirecteuren, het Scapino Ballet en het Theaterinstituut.

Jasper van Kuijk is cabaretier. Dit is een bekorte versie van zijn stuk, dat te lezen is op jaspervankuijk.nl