Iemand die zich overgeeft aan God

Van heilige marabouts in West-Afrika, dansende derwisjen in Turkije tot webpredikers in Qatar.

De variatie in soorten moslims is eindeloos.

Vanuit islamitisch oogpunt is het onderscheid tussen ‘moslims’ en ‘islam’ onvoorstelbaar. Om dat duidelijk te maken, volstaat de etymologie van de termen in kwestie. Het Arabische woord islam is afgeleid van het werkwoord sallem, dat ‘onderwerpen’ betekent. Islam is ‘overgave’ of ‘jezelf onderwerpen aan’ – en wel aan Gods wil. Een ‘moslim’ is iemand die zichzélf onderwerpt. Een scheiding tussen wie zich onderwerpt en datgene waaraan hij zich onderwerpt is zo bekeken onmogelijk.

Islamieten menen dat God zijn wil heeft geopenbaard aan de profeet Mohammed en dat die openbaring letterlijk is neergeschreven in de Koran, gezagsbron nummer één. Een tweede gezagsbron voor moslims zijn de overleveringen over het optreden van de profeet, de zogenoemde hadith. Over het algemeen zijn die pas eeuwen na Mohammeds dood opgetekend en schriftgeleerden onderscheiden ‘zwakke’ en ‘sterke hadith’.

Voor moslims is geen gezagsbron sterker dan de Koran, maar dat is geen gemakkelijk boek. In de loop der eeuwen is er dan ook een machtige beroepsgroep ontstaan van tekstuitleggers: ulama (schriftgeleerden) en moefti (rechtsgeleerden die religieuze adviezen – fatwa – geven). Deze geleerden waren en zijn het lang niet altijd eens over hoe een koranvers of hadith uitgelegd moet worden en hoe de tekst moet worden gebruikt als leidraad voor het leven.

In de loop van onze Middeleeuwen ontstonden dan ook vier verschillende rechtsscholen (madhhab). De derde gezagsbron van de islam, ‘de consensus der schriftgeleerden’, komt dan ook hoogst zelden tot stand. Het is maar bij wie je te rade gaat.

Dit is een theologische benadering van verschillen binnen de islam. Daarnaast zijn er enorme lokale en cultuurverschillen. Wie de islamitische wereld afreist, van Marokko tot Maleisië, komt een breed scala aan belevingen, overtuigingen, gebruiken en typen gezagsdragers tegen. Heilige mannen in West-Afrika (marabouts), dansende derwisjen in Turkije en internetpredikers in Qatar. Hun aanzien varieert: in Senegal en Java worden graven van mystici vereerd; in Saoedi-Arabië worden mystiek en grafbezoek verketterd.

Als de uitleg van Gods wil zo uiteenloopt, wie is er dan moslim? Op die vraag is maar één antwoord mogelijk: dat bepaalt de geloofsgemeenschap (umma) samen met zijn voorgangers zelf. De umma bestaat uit honderdduizenden moskeegroepen en talloze mystieke broederschappen. De overgrote meerderheid daarvan vindt dat je moslim wordt door je te onderwerpen aan God via de shahada – de geloofsbelijdenis. Die luidt: ‘Er is geen God dan God en Mohammed is zijn gezondene’. Om moslim te blijven moet je je houden aan de andere vier geloofsplichten: het dagelijkse plichtgebed, de jaarlijkse vaste, de armenbelasting en de bedevaart naar Mekka.

Een minderheid beschouwt ook jihad als geloofsplicht. Die term kent meerdere betekenissen: van de persoonlijke inspanning om het ongeloof in jezelf tegen te gaan tot de heilige oorlog tegen ongelovigen. Jihadisten, aanhangers van de tweede interpretatie, beschouwen de meerderheid die offensieve oorlog tegen ongelovigen afwijst als ongelovig.

Wil de ware moslim opstaan?