Er is toch bloed geprikt?

Christien van der Linden won een prijs met onderzoek naar patiënten die weglopen bij de Spoedeisende Hulp.

Ze zag vooral hoeveel de belevingswereld van arts en patiënt van elkaar verschillen.

Twee keer heeft Christien van der Linden (1962) de jaarlijkse verpleegkundeprijs gewonnen. In 2009, en nu weer. Vijfduizend euro plus een beeldje.

Ze werkt op de Spoedeisende Hulp van het Medisch Centrum Haaglanden, locatie Westeinde, in de Haagse binnenstad. Van der Linden verbaasde zich vooral over de chaos die nog niet zo lang geleden op de Spoedeisende Hulp heerste – in alle ziekenhuizen – en bedacht hoe het anders kon.

Ze is ook klinisch epidemioloog. En ze gaat promoveren. Geneeskunde is een geweldig vak, zegt ze. Maar verpleegkunde ook, omdat je zoveel voor een patiënt kunt betekenen. „Lekker neerleggen, warme deken geven, luisteren, voor hen opkomen.”

Ze had, zegt ze, nooit zo goed praktijk en wetenschap met elkaar kunnen verbinden als ze geen verpleegkundige was geweest. Van der Linden dacht toen ze op de Spoedeisende Hulp begon, jaren negentig, dat het niets voor haar zou zijn.

Waarom niet? „De mensen die er toen werkten, waren nogal assertief. Tegen patiënten met oorpijn of een schaafwond zeiden ze dat ze naar de huisarts moesten gaan. Er was veel agressie, want patiënten accepteerden dat niet. En hoe gemakkelijk is het als jij aan het loket zit en artsen roepen tegen je: stuur maar weg.”

De gang van zaken veranderde toen het een paar keer bijna was misgegaan. Patiënten met zogenaamd onschuldige buikpijn die een geperforeerde blindedarm bleken te hebben, dat soort dingen. Voortaan werd iedereen ingeschreven en niemand meer weggestuurd. Waarna onmiddellijk een ander probleem ontstond: uitpuilende wachtkamers.

Veel van die mensen horen daar toch eigenlijk niet te zitten? „Jawel hoor.” Zegt ze, vriendelijk, maar beslist.

Is het probleem van de Spoedeisende Hulp niet dat iedereen maar komt en van alles eist? „Nee.” Weer beslist. Wel met die relativering: „Alle mensen die bij ons komen, hebben iets, in elk geval in hun eigen beleving. Wij vinden een kraal in de neus niets ernstigs, maar voor die mensen kan het heel ernstig zijn. Of ze hebben een wond waarvan wij denken: desinfecterende pleister erop en klaar. Maar zíj denken dat ze doodgaan.”

Aanstellerij? „Gebrek aan ziekte-inzicht. Mensen komen bij ons met die wond en willen geholpen worden. Ze hebben echt geen boodschap aan ‘eerstelijns’ en ‘tweedelijns’. Ze weten soms niet eens wat een huisarts is. Of ze hebben geen huisarts.”

In 2002 mocht Van der Linden van het ziekenhuis aan een opleiding tot nurse practitioner beginnen, samen met een collega. Nurse practitioner: een verpleegkundige die taken van een arts overneemt en zich daarin specialiseert.

Tijdens die opleiding begon ze aan het onderzoek waarmee ze haar eerste verpleegkundeprijs zou winnen. Ze zette een systeem op waarmee de mensen die zich bij de Spoedeisende Hulp melden – toen honderd per dag, nu honderdvijftig – snel verdeeld kunnen worden in: ‘naar de dokter’ en ‘naar de verpleegkundige’.

Ze laat het zien op haar computer. Links: de namen van de mensen die (na een eerste snelle beoordeling) op hulp wachten. Ze haalt die mensen zogenaamd uit de wachtkamer en – klik, klik – rechts verschijnt een lijst klachten. Corpus alienum (kraal in de neus, splinter in het oog). Extremiteitsprobleem (blauwe enkel, kromme vinger). Buikpijn. Ze vinkt er één aan en er floepen – klik, klik – venstertjes open. Levensbedreigend? Open fractuur? Bloedverlies?

Al die mensen krijgen binnen een minuut een kleur (groen, geel, oranje, rood) en die kleur wordt zichtbaar op het beeldscherm. Arts-assistenten en verpleegkundigen op de Spoedeisende Hulp zien: die is voor mij, die niet. Patiënten zien het ook, want die beeldschermen hangen overal op de afdeling. Ze weten hoe lang (of kort) ze moeten wachten.

Het promotieonderzoek van Van der Linden gaat over de doorstroom op de Spoedeisende Hulp: hoe snel (of langzaam) die gaat en wat eraan verbeterd kan worden. Verstopping is een steeds groter probleem, zegt ze.

Komt dat niet gewoon doordat er te veel mensen naar het ziekenhuis komen? „Men zegt dat hè. Dat het door de zelfverwijzers komt.” Dat zijn de mensen die zonder verwijzing van de huisarts naar het ziekenhuis gaan: zestig procent. „Maar ik kan nu al zeggen dat het niet zo is. Als je het goed organiseert, kun je hen snel helpen en zijn ze snel weer weg. De verstopping wordt veroorzaakt door de mensen die opgenomen moeten worden, maar voor wie er nog geen bed is op de verpleegafdeling.”

Van der Linden vindt dat patiënten niet moeten hoeven kiezen tussen de huisarts en het ziekenhuis, want vaak kunnen ze dat niet. „Vroeger misschien, maar nu niet meer. Ik ging met een schaafwond echt niet naar de Spoedeisende Hulp. Mijn moeder plakte er een pleister op en dat was dat.”

Het enige echte probleem, zegt Van der Linden, zijn de kosten. Spoedeisende Hulp is duurder dan de huisarts. „Als we dat veranderen, is het opgelost.” De grote binnenstadsziekenhuizen zouden, zegt ze, ‘acute basiszorg’ moeten verlenen tegen een ‘gedifferentieerd tarief’.

Voor andere ziekenhuizen denkt ze aan iets waarbij Spoedeisende Hulp en huisartsenpost geïntegreerd zijn. In sommige ziekenhuizen in Nederland is dat al zo.

De Verpleegkundeprijs 2011 heeft ze gekregen voor haar onderzoek naar de mensen die weglopen bij de Spoedeisende Hulp, zonder dat ze behandeld zijn. „Ik dacht: wie doen dat en waarom?”

Collega’s zeiden: die mensen hebben niets. Blijkt in de helft van de gevallen niet te kloppen. Vanaf september 2010 belde Van der Linden twee maanden lang alle weglopers op – 170 – en stelde een paar vragen. Waar kwam u mee? Waarom ging u weg? Hoe gaat het nu?

„Ik dacht: dat worden moeilijke gesprekken, want die mensen zijn boos en ontevreden. Maar nee hoor, ze waren juist heel aardig. De eerste man die ik aan de telefoon had, was in de tram hard op zijn hoofd gevallen. Hij was weggegaan omdat hij in de gang iedereen over hem had horen praten. Hij had in een jappenkamp gezeten, zei hij. Ik vroeg of hij naar de huisarts was gegaan. Nee, nee, nee, hij ging niet meer naar buiten, want iedereen praatte over hem.” Alle alarmbellen gingen bij haar af.

Er waren patiënten die waren weggegaan omdat ze dachten dat de behandeling al voorbij was. Er was toch bloed geprikt? Er waren toch foto’s gemaakt? Er waren patiënten die het pand verlieten omdat ze zo’n honger hadden en niets te eten kregen. Niemand had hun verteld dat dat volgens protocol was: hun klacht was pijn in de buik en dan moet de patiënt nuchter blijven. Of het was hun wel verteld, maar ze hadden het niet begrepen. Protowát? Eén patiënt had zoveel pijn dat ze maar liever weer thuis in haar eigen bed was gaan liggen. Na vier dagen was ze door familie teruggebracht: trombosebeen, longembolie.

Sinds dit onderzoek – de wetenschappelijke publicatie moet nog komen – kijkt Christien van der Linden met andere ogen naar alles wat er op de Spoedeisende Hulp gebeurt en te zien is. Die folders daar in het rek met woorden als ‘conjunctivitis’ of ‘appendix’ erop. Die injectienaalden. Weet een patiënt veel of daarmee medicijn ín het lichaam wordt gespoten of bloed úít het lichaam wordt gehaald? Die CT-scan. Ziet er zo indrukwekkend uit dat die wel genezend móét werken.

Nee, het is niet omdat zoveel patiënten dom zijn, dommer dan artsen en verpleegkundigen. Het is, zegt Van der Linden, omdat de belevingswerelden zo anders zijn. En dan moet de hulp niet hooghartig zijn. Dan moet de hulp zich aanpassen.