Eén ongelukje en weg spanning

Door een val van Marco Simoncelli werd de TT Assen, gewonnen door Ben Spies, van alle spanning ontdaan.

Vanaf 2012 mogen in de MotoGP meer coureurs racen.

Vanaf volgend jaar wordt alles beter. Dan telt de MotoGP minstens 22 coureurs en niet langer het schamele aantal van maximaal zeventien starters. Niet dat die uitbreiding spannender races garandeert, maar de koningsklasse krijgt na jaren weer de kwantitatieve status die het toebehoort. En hopelijk voor de honderdduizend bezoekers aan de TT Assen krijgen zij aantrekkelijker wedstrijden voorgeschoteld dan de laatste jaren. Zaterdag was het tussen de buien door wederom niet bijster opwindend, ook al behaalde de 26-jarige Amerikaan Ben Spies in Assen zijn eerste grand-prixoverwinning.

Het verhaal van de race is snel verteld. Na de vierde bocht was de rangschikking min of meer bepaald. Met dank aan de Italiaan Marco Simoncelli, die binnendoor dook bij Jorge Lorenzo maar bij het accelereren te veel gas gaf, waarna hij de macht over zijn motor verloor en onderuit gleed. In zijn val sleurde Simoncelli de Spaanse wereldkampioen van 2010 mee, waarna Spies als snelste starter op zijn Yamaha een gaatje kon slaan en dat consolideerde tot de finish.

Achter de koele Spies duurde het even voordat de Australiër Casey Stoner en de Italiaan Andrea Divizioso hun banden onder de gure weersomstandigheden op temperatuur hadden. Toen dat eenmaal zover was, beperkten de twee Honda-coureurs zich uit strategische overwegingen tot het consolideren van hun podiumplaatsen. Waarom risico’s nemen als Stoner (tweede) in de strijd om de wereldtitel zijn leidende positie op de achterop geraakte Lorenzo kon vergroten en Dovizioso (derde) als nummer drie van het kampioensklassement iets kon uitlopen op zijn landgenoot Valentino Rossi, die zich met zijn vernieuwde Ducati met de vierde plaats tevreden moest stellen.

Hoewel de woede zich voor de zoveelste keer dit jaar op wildebras Simoncelli richtte, was het incident indicatief voor de kwetsbaarheid van de MotoGP. Eén ongelukje en de race is op slag oninteressant geworden. En dat verweten de coureurs Simoncelli. Waarom zo’n manoeuvre in de eerste ronde? Waarom niet gewacht tot de banden warm waren? Met Lorenzo en Simoncelli in de voorste gelederen zou de race vrijwel zeker spectaculairder zijn verlopen.

Ongelofelijk stom, oordeelde Wilco Zeelenberg, de Nederlandse manager van Lorenzo. „Zo gaat het zijn hele carrière al. Simoncelli moet eens leren geduld op te brengen. Die jongen was tijdens alle trainingen in Assen de snelste. Hij had nog 45 minuten om de race naar zijn hand te zetten. Hij dupeerde niet alleen Lorenzo, maar ook zichzelf. En hij ontnam het publiek een spektakelstuk.”

Volgend jaar zal van Simoncelli nog meer beheersing worden gevraagd, omdat het drukker wordt op de circuits. Dan worden zes coureurs aan het veld van fabrieksteams toegevoegd. De nieuwkomers worden ondergebracht in een zogeheten Claiming Rule Team. Die wat merkwaardige naam houdt verband met de regel dat de fabrieksstallen een claim kunnen leggen op een motorblok van een nieuw team als zij vinden dat het een bedreiging voor hun positie kan betekenen. Bij een claim mag het motorblok de rest van het seizoen niet meer gebruikt worden.

Die sportieve tegenstrijdigheid wordt ingevoerd uit financiële overwegingen. De toelatingseisen tot de MotoGP voor CRT-coureurs zijn aanzienlijk gunstiger dan die voor de fabrieksteams. Dan kan het volgens raceorganisator Dorna en IRTA, de belangenorganisatie van teams, niet zo zijn dat de budgetcoureurs er met de prijzen vandoor gaan. Dorna en IRTA denken dat de uitstraling en de publicitaire waarde van de MotoGP voor nieuwelingen interessant genoeg zijn om in te stappen, vooral omdat de voorwaarden relatief gunstig zijn. Verder hopen zij op deze manier de doorstroming van talent te bevorderen en de MotoGP interessant te maken voor motorfabrikanten die nu nog ontbreken, zoals Aprilia, BMW en Kawasaki. Vooralsnog is de drempel daarvoor te hoog, omdat ontwikkelingskosten meegerekend voor een fabrieksteam met twee coureurs tussen de 80 en 100 miljoen euro opgehoest moet worden.

De zes ‘claimteams’ die volgend jaar instromen, worden niet verbonden aan fabrikanten en zijn vrij in hun motorkeus. Verder mogen zij over een jaar maximaal twaalf motorblokken gebruiken, tegenover zes voor de fabrieksteams. In races krijgen CRT’s ook nog eens 24 liter brandstof tot hun beschikking, tegenover 21 liter voor de grote teams. Een niet te verwaarlozen voordeel in een klasse waar de toegestane cilinderinhoud van 800 tot 1.000cc wordt verhoogd. Meer vermogen betekent een hoger benzineverbruik.

Volgens Yamaha-manager Zeelenberg is niemand echt blij met de nieuwe regels. Maar ook hij ziet de financiële beperkingen en erkent dat het publiek niet langer een kwantitatief zwak deelnemersveld voorgeschoteld kan worden. Zeelenberg geeft toe dat het systeem van claimen merkwaardig overkomt, maar hij voorspelt dat er in de praktijk niet of nauwelijks gebruik van gemaakt zal worden. Hij ziet het niet gebeuren dat een team veel geld in de ontwikkeling van een motorblok investeert met het risico op een claim.

Ondanks alle beperkingen blijkt er genoeg belangstelling voor uitbreiding van de MotoGP te bestaan. Van de elf Moto2-teams die zich hadden aangemeld zijn er zes uitgenodigd om volgend jaar als CRT toe te treden. Nu is moeilijk aan te geven om welke coureurs het gaat, omdat een aantal uit de Moto2 naar verwachting ook door fabrieksteams zal worden gecontracteerd.