De kier tussen Grote en Atlantische Oceaan

De mogelijkheid van een open verbinding tussen de Grote Oceaan en de Atlantische Oceaan, de zogeheten Noordwest Passage, wordt wel eens beschreven als een van de voordelen van klimaatverandering. Sowieso is de dunner wordende ijsbedekking van het Noordpoolgebied in de zomer een thema waarover door velen graag in economische termen wordt nagedacht. Ook wetenschappers houden

Grijze walvis wordt meestal in de Grote Oceaan aangetroffen, vorig jaar zwom er een voor de kust van Israël. (Foto AP)Grijze walvis wordt meestal in de Grote Oceaan aangetroffen, vorig jaar zwom er een voor de kust van Israël. (Foto AP)

De mogelijkheid van een open verbinding tussen de Grote Oceaan en de Atlantische Oceaan, de zogeheten Noordwest Passage, wordt wel eens beschreven als een van de voordelen van klimaatverandering. Sowieso is de dunner wordende ijsbedekking van het Noordpoolgebied in de zomer een thema waarover door velen graag in economische termen wordt nagedacht.

Ook wetenschappers houden de kier tussen de twee oceanen al langer in de gaten. En wat blijkt? Niet alleen schepen kunnen gedurende een korte periode van de afwezigheid van ijs profiteren, ook voor de natuur biedt de hogere watertemperatuur mogelijkheden.

In 2007 schreef wetenschapredacteur Karel Knip over de Noordwest Passage in NRC Handelsblad:

‘Het tijdelijk ijsvrij zijn van de NW-passage is het zoveelste signaal dat er grote veranderingen plaatsvinden in de ijsbedekking rond de noordpool. Omdat die pas sinds dertig jaar vanuit satellieten kan worden waargenomen is het riskant hierin een bewijs van het broeikaseffect te zien. Het kan gewoon natuurlijke variabiliteit zijn. Ook in de negentiende eeuw deden zich grote veranderingen voor. Robbenjagers en walvisvaarders konden soms jaren achtereen nauwelijks de Baffinbaai ten noordwesten van Groenland bereiken. Dan opeens was die weer geheel ijsvrij. De variabiliteit is nog niet verklaard. Niet alleen de temperatuur is erop van invloed, maar ook de heersende windrichting. Verontrustend is dat niet alleen in de uitgestrektheid van het zee-ijs een ongunstige trend zichtbaar is, maar ook in de dikte van het ijs en in de verhouding van jong en oud ijs.’

Een opmerkelijke verandering van het afgelopen decennium is de terugkeer van de Neodenticula seminae in de Atlantische Oceaan. Deze planktonsoort verdween zo’n 800.000 jaar geleden uit de Atlantische wateren, maar werd in 1999 (lees hier) voor het eerst weer in grote hoeveelheden aangetroffen in de Labrador Zee, voor de Canadese noordoostkust. Inmiddels in het plankton afgezakt tot de hoogte van New York.

Onderzoekers die betrokken zijn bij het Europese Clamer-project, waarin zeventien Europese wetenschappelijke instituten samenwerken (gecoördineerd door het Nederlandse NIOZ), noemen de oprukkende Neodenticula seminae een van de voorbeelden van wat ons te wachten staat als de kier tussen Stille Oceaan en Atlantische Oceaan in zomer groter wordt.

Andere voorbeelden: doordat het noordelijke water warmer wordt, maakt de Calanus finmarchicus, een roeipootkreeftje, plaats voor kleinere soorten met minder voedingswaarde. Deze beestjes zijn van essentieel belang in de voedselketen van haringen, makrelen en andere vissen.

En: door de opwarming van het zeewater vervroegt de paaitijd van kabeljauw in het water ten noordwesten van Europa. Maar het fytoplankton, waarvan de jonge visjes voor hun voeding afhankelijk zijn, heeft die aanpassing niet gemaakt.

En: De grijze walvis die vorig jaar voor de Israëlische kust opdook, terwijl het dier door bejaging al in de 18de eeuw uit de Atlantische Oceaan is verdwenen, heeft waarschijnlijk ook de doorsteek via de Noordpool gemaakt.

Philip Reid van de Britse Harvey Foundation for Ocean Science spreekt van een ‘doos van Pandora’ die is geopend. Volgens Reid zijn we ‘een drempel overgestoken’ (lees hier) die gevolgen kan hebben voor de biodiversiteit in de Atlantische Oceaan en ook voor de visserij, met name de kabeljauw en de zalm (die voorlopig overigens veel meer te lijden hebben van overbevissing dan van veranderingen in het ecosysteem).

Carlo Heip, algemeen directeur van het NIOZ, sluit niet uit dat sommige delen van de oceaan ook kunnen profiteren van de verandering in biodiversiteit, maar zegt hij (lees hier):

‘Most of the impacts are so clearly negative, and the scope of change so potentially huge that, taken together, they constitute brightly flashing warning signals.
We need to learn much more about what’s happening in Europe’s seas, but the signs already point to far more trouble than benefit from climate change.
Despite the many unknowns, it’s obvious that we can expect damaging upheaval as we overturn the workings of a system that’s so complex and important.’

Overigens wordt het Clamer-project in september van dit jaar afgesloten met een conferentie. Misschien moet de stevig aangezette waarschuwing ook wel een beetje in dat licht worden bezien. Maar dat geeft Heip nog steeds geen ongelijk. De biologische en klimatologische gevolgen van de noordelijke opening tussen Grote Oceaan en Atlantische Oceaan verdient nader onderzoek.