'Wetenschappers hebben meestal geen idee hoe ze iets willen hebben'

‘En dit is onze Tita-Tovenaar-installatie. Weet jij nog wat dit doet, Hans?” Hans de Rooij, grijs haar en zwarte trui, weet het niet. Hij en Eric Karruppannan staan voor een twee meter hoge glazen kast. Binnen lijkt een omvangrijke chemische reactie aan de gang. Er zijn glazen flacons met rode stoppen, doorzichtige buizen, jerrycans. Alles is verbonden via slangen en alles borrelt. “Die hebben we een jaar of acht geleden gemaakt.”

Loop een laboratorium binnen op de Wageningen Universiteit en zie de ongewone apparaten die daar staan. Zoals het lab waar de vliegcapaciteiten van insecten en vogels worden onderzocht. Daar staat een roterend aquarium in de vorm van een wagenwiel. Er is ook een windtunneltje waarin een vogelvleugel aan een mechanische arm alle kanten op kan bewegen. En er is een bak waarin een groot zeepvlies ligt dat nooit knapt, omdat de zeep via slangen en snaren continu wordt aangevuld.

Al die apparaten zien eruit alsof ze uit een fabriek komen. Maar ze zijn ter plaatse gemaakt, door de ontwikkelwerkplaats van de Wageningen Universiteit. Wetenschappers die apparatuur wensen die niet bestaat, zien hun ideeën hier omgezet in staal, plexiglas en elektronica. Eigenlijk zijn het twee werkplaatsen. Karruppannan, een energieke veertiger in paars overhemd, is een van de coördinatoren.

De grootste werkplaats ligt in een gebouw dat de modieuze naam Biotechnion draagt, maar niet modieus is. Overal lijkt het op een fabrieksloods. De werkplaats zelf ademt, op het eerste gezicht, louter ambachtskunst. “Een tijdje geleden was hier een dame van de directie op bezoek”, zegt Karruppannan. “Ze was blij, zei ze, dat we hier geen kalenders met blote vrouwen hebben hangen.”

Zelfs nergens zaagsel of afval, alleen bij de freesmachine ruikt het licht naar smeerolie. De kasten gerubriceerd, van ‘beitelplaatjes tbv draadsnijden’ tot ‘handgereedschap / klauwen’. En dan de collectie boorkoppen. De kleinste is net een naald (diameter 0,1 millimeter), de grootste is zo lang als een onderarm en 4 centimeter dik. “Dan heb je het over een boor”, pocht ontwikkeltechnicus De Rooij.

Maar dan buigt De Rooij zich over zijn bureau, schakelt zijn computer in en klikt een uitgewerkte 3D-tekening aan. “Dit is de algenreactor”, zegt hij, gevraagd naar zijn favoriete ontwerp. Verderop in het gebouw is het apparaat in bedrijf. Groen vocht borrelt tussen glazen platen. Een felle lamp levert het licht voor de groei van de algen, een promovenda in witte labjas komt even kijken. Ze onderzoekt met de reactor of algen continu gekweekt kunnen worden op urine. De urine gaat naar binnen, schoon water met algen eruit, zuurgraad en koolstofdioxidegehalte worden op peil gehouden. Er zijn aparte compartimenten voor algen en voor koelwater.

“Het was een proces van vijftien jaar”, zegt Karruppannan tegen De Rooij. “Jij hebt de eerste gebouwd en nu is hij uitontwikkeld. Toen waren we drie promovendi verder.” Het ontwerp is nu verkocht aan een bedrijf dat de reactoren op de markt wil brengen.

Wetenschappers hebben meestal geen idee hoe ze iets willen hebben, zeggen de twee. “Ze denken dat de spullen van de band rollen zoals kinderwagens”, zegt De Rooij. Waar denken ze dan niet aan? “Wil je je apparaat steriel hebben? Dan moet het in de autoclaaf kunnen, op 121 graden Celsius. Dan zeg ik dat we PEEK kunnen gebruiken, dat is een kunststof die tot 260 graden kan. En dan schrik jij, want dat is hartstikke duur. Dus dan kiezen we voor roestvrij staal.”

Zo ging Hans de Rooij aan de slag met een eerdere versie van de reactor, vertelt hij. Freesde de behuizing van de algenreactor uit platen rvs, elk twee centimeter dik. Eigenwijs materiaal, zegt hij. Haal je er aan de ene kant wat af, trekt het naar de andere kant krom. Terwijl het helemaal vlak moet zijn, maximaal een paar tiende millimeter afwijking. Hij monteerde de platen aan elkaar tot een apparaat van 15 centimeter dik. En toen was het ‘niet mooi’.

“Het moet toch een bepaalde uitstraling hebben”, zegt De Rooij. Ja, de wetenschappers, die willen dat het werkt en dat het snel klaar is. Maar Karruppannan herhaalt het wel een paar keer. Het is écht belangrijk dat iets er ook goed uit ziet. “Want als je er dan nog eens over nadenkt, werkt het apparaat ook altijd handiger.” De huidige versie is lichter, van kunststof. Hij hoefde ook niet steriel te blijven, dat scheelde. En zie die stijlvol afgeronde hoekjes.

Binnenkort worden de twee werkplaatsen samengevoegd en gaan ze verhuizen, vertelt Karruppannan. De tijd dat de instrumentmakerij wegbezuinigd dreigde te worden, is voorbij sinds de hoogleraren hen expliciet gingen steunen. Er is nu geld voor een nieuwe machine. “Misschien is het leuk om te vermelden dat we binnenkort een 5-assige computergestuurde freesmachine kunnen aanschaffen. Kenners die je stuk lezen denk dan: zo, dat ís wat.”

Hester van Santen