Verzamelaars

Wereldnieuws. De Amerikaanse actrice Debbie Reynolds heeft haar verzameling van belangrijke voorwerpen uit de geschiedenis van de Amerikaanse film geveild. Een bolhoed van Charlie Chaplin, de gitaar van Julie Andrews, nog veel meer, en ook de jurk die Marilyn Monroe in The Seven Year Itch droeg. Ze was al beroemd maar ze werd nog beroemder toen een windvlaag die jurk deed opwaaien. Ze stond op een luchtrooster boven de subway. Een passerende trein veroorzaakte de luchtverplaatsing. Was het opzet, had de regisseur dit ultralicht scabreuze intermezzo bedacht? Dat vermeldt de geschiedenis niet. In elk geval bracht de jurk 4,6 miljoen dollar op. Zonder dit opwaaien was het vast minder geweest.

De actrice blijft ons bezighouden. Hugh Heffner, de oprichter van Playboy, heeft een vermogen betaald om naast haar begraven te worden. En ik wil niet opscheppen maar ik ben maar één handdruk van haar verwijderd. Bij de voorverkiezingen voor het presidentschap in 1959 heb ik in West-Virginia kandidaat John F. Kennedy een hand gegeven en die twee hebben elkaar goed gekend. Wie mij daarna een hand heeft gegeven is aan Marilyn verhandzwagerd.

Toch, 4,6 miljoen dollar is veel geld. Wie dat vermogen ervoor over heeft gehad, werd niet vermeld. Een oude man die altijd een geheime liefde voor haar heeft gekoesterd? Een fanatieke verzamelaar? Ik denk het laatste. De echte verzamelaar is altijd fanatiek. Hij of zij wil de verzameling compleet hebben. De volledigheid is zijn hoogste levensdoel, en altijd weer ontdekt hij dat er iets aan de collectie ontbreekt. Een oude postzegel van Mauritius, de Aston Martin van James Bond. En in dit geval dus een verzamelaar van beroemde jurken. Hij heeft er al een paar van Jane Russell, Brigitte Bardot, Monica Vitti. In zijn grote huis – dat heb je als je 4,6 miljoen dollar kan betalen – heeft hij een zaal met sprekend lijkende etalagepoppen in hun originele kleren. Marilyn staat gekleed in een kopie van haar beroemde jurk. Dat is hem onverdraaglijk. En dan komt deze veiling. Hij slaat toe en is gelukkig – zolang het duurt want voor de echte verzamelaar doemt er onherroepelijk weer een nieuwe begerenswaardigheid op. Dat is zijn tragiek, want volledigheid is onbereikbaar.

Verwar deze mensen niet met degenen die heilige voorwerpen of curiosa willen hebben. Er zijn gelovigen die je een splinter van het kruis van Christus kunnen laten zien. Een echte historische splinter, na meer dan tweeduizend jaar? Zo’n vraag doet niet ter zake. De bezitter is op zijn eigen manier gelovig en zolang het bij deze splinter blijft, verdient hij met rust te worden gelaten. Als kind had ik mijn verzameling curiosa. Een scherfje van de bom waarmee in de jaren dertig op de Coolsingel in Rotterdam een Oekraïense verzetsman, Konovalets, door een agent van de GPOe, de geheime dienst van Stalin, is vermoord. Mijn vader kende de hoofdcommissaris van politie en die had hem dit stukje ijzer gegeven.

Nog een prachtstuk uit mijn verzameling, een spijker van de Lutine, het schip dat geladen met goudstaven eind achttiende eeuw bij een Waddeneiland was gezonken. In de jaren dertig van de vorige eeuw huurden een paar ondernemers een tinbaggermolen, de Karitama, om de schat boven water te brengen. Als jongen van een jaar of acht volgde ik de operatie op de voet. Las in de krant dat er veel metaal maar weinig goud werd opgebaggerd. Toen heb ik een briefje aan ingenieur Bol geschreven: of ik zo’n stukje metaal mocht hebben. Hij had de leiding. Binnen een paar dagen bracht de post een klein pakje. Met een koperen spijker van de Lutine. Kijk onder de kop, schreef ir. Bol. Daar zie je een kleine hanepoot gegraveerd. Dat is het waarmerk van de Lutine. De spijker ging bij de bomscherf.

In de grotten van Valkenburg vond ik een stukje druipsteen, een stalagmiet of een stalactiet, dat was niet meer te zien. Het ging ook bij de verzameling. Toen brak de oorlog uit. Meer scherven van bommen en granaten, op den duur zo veel dat het me ging vervelen. Dit is het bewijs dat ik geen geboren verzamelaar ben. Die vervelen zich nooit, ze willen altijd meer, ze zijn bezeten door wat in de Duitse fenomenologie genoemd wordt der Antrieb des nicht genug kriegen können. Een betere omschrijving ken ik niet.

Mijn verzameling curiosa is ongemerkt verloren gegaan. Waar zijn die oude spijker en de bomscherf? Ik zou het wel willen weten maar ik wil ze niet terug hebben. Voor de eerlijke vinder. Het bewaren kan ik nog steeds niet laten. Nog in de vorige eeuw vond ik een dode, gave vlieg. Voor dit wezentje heb ik van lucifers een sokkeltje gebouwd, er een plastic hoesje overheen gezet en het onderschrift geprint: ‘monument voor de onbekende vlieg’. Zo is mijn nieuwe verzamelen begonnen. Insecten en verwant gedierte. Een gave mestkever, een paar schorpioenen, een veelpotig wormachtig wezen en een gemummificeerd muisje. Niemand zal voor dit dode gedierte een tientje betalen, maar ik zal de verzameling ook nooit laten veilen. Naamloos verdwijnt dit clubje straks in de eeuwigheid.