Spinoza

De meningen over het in het Vaticaan gevonden manuscript uit 1675 van de Ethica (Wetenschapsbijlage, 11 juni) zijn weinig doordacht. Uit de correspondentie van Spinoza is bekend dat meerdere van zijn kennissen kopieën van het hele handschrift of gedeelten daarvan in hun bezit hadden. Omdat wij de laatste door Spinoza zelf geschreven versie niet kennen is er geen enkele mogelijkheid na te gaan of het nu gevonden manuscript een kopie van die versie, die uiteindelijk door de vrienden van Spinoza is gepubliceerd, was. De verschillen tussen het gevonden manuscript en de uitgegeven versie kunnen een aantal oorzaken hebben. De kopiïst maakte fouten; Spinoza wijzigde in de laatste twee jaar van zijn leven nog een aantal zaken; de vrienden veranderden een en ander of de drukker maakte fouten die ontsnapt zijn aan de aandacht van de corrector. Het is daarom zinloos erover te speculeren of een komma verkeerd staat en of een Latijns woord een andere uitgang heeft en daarom van betekenis verandert. De mededeling dat Spinoza had besloten de Ethica niet bij zijn leven te publiceren zal men nergens in overgeleverde stukken vinden. In een brief van Spinoza 1675 aan Henry Oldenburg, de secretaris van de Royal Society in Engeland, deelt hij alleen mee dat hij het boek voorlopig niet kan publiceren, omdat het gerucht gaat dat hij een boek geschreven heeft waarin staat dat God niet bestaat en dat gezagdragers daarover hun beklag hebben gedaan. De mededeling dat Spinoza het persklaar maken van zijn boeken doorgaans overliet aan die oude vrienden is volstrekt speculatief. Wij kennen één voorbeeld uit een brief van juli 1663 waarin, volgens de filosoof zelf, de correctie van onbelangrijke details in zijn bewerking van De Beginselen van de Wijsbegeerte van Descartes overgelaten werd aan een vriend. Deze brief vertelt ons niets over zijn houding ten aanzien van andere publicaties. Kortom, in het artikel wordt er driftig op los gespeculeerd.

Odette Vlessing en André Vuijsje werken aan een boek over Spinoza