Revolte der verongelijkten

Sociologie Hij was de eerste die liet zien dat het afgelopen is met de nivellering en dat de ongelijkheid in Nederland toeneemt. Nico Wilterdink nam afscheid als hoogleraar en werd uitgeleide gedaan met een prikkelende bundel over ‘Cultuur en ongelijkheid’.

Dirk Vlasblom

‘Some animals are more equal than others.’ En sommige teksten hebben eeuwigheidswaarde, zoals deze kwinkslag uit de klassieker Animal Farm (1945). Het boekje van George Orwell was een satire op Stalins Sovjet-Unie. Zijn gevleugelde woorden zouden nu niet misstaan in een pastiche over het populisme. Want populisten goochelen al even gemakkelijk met het begrip ‘gelijkheid’ als de stalinisten van weleer. De ‘linkse elite’ ontzegt ‘gewone Nederlanders’ de toegang tot de politiek en trekt ‘moslimimmigranten’ voor. Die ongelijkheid moet worden rechtgetrokken door die immigranten te weren. Henk en Ingrid zijn nu eenmaal gelijker dan Mohammed en Fatima.

Het eenkennige egalitarisme van populisten is één van de thema’s in de zojuist verschenen bundel Cultuur en ongelijkheid. Het is geen politieke verhandeling en al evenmin satire. Het zijn 26 wetenschappelijke artikelen en essays, geschreven ter gelegenheid van het afscheid, op 10 juni jl., van Nico Wilterdink als hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Sociale ongelijkheid en cultuur zijn de grote thema’s in het werk van Wilterdink. In de bundel laten collega’s zien hoezeer deze thema’s in het middelpunt staan van het wetenschappelijke én het maatschappelijke debat.

Op bezoek bij Wilterdink in Amsterdam-Zuid vraag ik hem eerst wat sociale ongelijkheid onderscheidt van economische ongelijkheid, zoals inkomens- en vermogensverschillen, begrippen waarmee iedereen vertrouwd is. Wilterdink: “Sociale ongelijkheid is voor een socioloog het alomvattende begrip. Economische ongelijkheid is een dimensie van sociale ongelijkheid. Andere belangrijke dimensies zijn ongelijkheid in macht en invloed en ongelijkheid in status, prestige.”

De Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002) maakte een andere indeling. Hij onderscheidde economisch kapitaal – inkomen, vermogen – cultureel kapitaal en sociaal kapitaal. Cultureel kapitaal is de kennis die je opdoet door afkomst, opvoeding en opleiding en waarmee je economisch je voordeel kunt doen. Sociaal kapitaal zijn netwerken, sociale contacten. Bourdieu vond dat het belang van cultureel kapitaal werd onderschat. Mede dankzij zijn werk beleefde het cultuurbegrip een reveil in de sociologie; het is niet voor niets één van de thema’s van de afscheidsbundel.

Wilterdink maakt hierbij een kanttekening: “Diploma’s zijn heel belangrijk in onze samenleving, maar cultureel kapitaal blijft lastig te kwantificeren. Hoe weeg je culturele bagage? Dat hangt af van de maatschappelijke waardering ervan. Iemand kan als verwoed verzamelaar alles weten van postzegels, maar maatschappelijk telt dat niet zo. Er is geen intrinsiek verband tussen culturele bagage, los van de sociale waardering, en maatschappelijke positie.”

In 1984 promoveerde Wilterdink op het proefschrift Vermogensverhoudingen in Nederland. Daarin liet hij zien dat in het eerste driekwart van de twintigste eeuw de sociale ongelijkheid in het Westen gestaag was afgenomen. Die nivellering trad op doordat binnen nationale staten verschillende maatschappelijke groeperingen steeds meer op elkaar aangewezen waren. Elites werden afhankelijker en daardoor kregen onderlagen meer macht. Nog geen tien jaar later, in 1993, hield hij zijn oratie als hoogleraar in Utrecht. Daarin onthulde hij dat de inkomens- en vermogensongelijkheid vanaf 1983 weer toenam. De mate waarin varieerde per land, maar de trend gold voor alle westerse landen.

Die toenemende ongelijkheid, betoogde hij, hield verband met processen van internationalisering, vooral op economisch gebied. Daardoor zijn de machtsverhoudingen in de samenleving veranderd ten gunste van het bedrijfsleven. Bedrijven zijn mobieler geworden, het kapitaal is mobieler. De onderhandelingspositie van de vakbeweging is verzwakt. Er is een groeiende druk op de verzorgingsstaat, ook omdat die de tendens heeft steeds uit te breiden, waardoor er voortdurend moet worden bezuinigd. Daarmee veranderde ook de mentaliteit. In de jaren tachtig kwam het marktdenken op, als antwoord op de dreiging van groeiende werkloosheid. Het gevoel bestond dat het bedrijfsleven ruim baan moest krijgen, waardoor carrières in die sfeer meer status kregen.

Intussen heeft de wereld de diepste recessie beleefd sinds de jaren dertig. In zijn dissertatie schreef Wilterdink dat recessies de neiging hebben sociale ongelijkheid te verminderen. Hij liet zien dat de Grote Depressie van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog perioden waren van relatief sterke nivellering. In deze perioden van crisis gingen veel grote privévermogens in omvang achteruit, zowel absoluut als ten opzichte van kleinere vermogens. Zo bezat de vijf procent rijkste Nederlanders in 1930 74 procent van het totale vermogen. Door de Grote Depressie was dat aandeel in 1935 gedaald tot 68 procent.

In de afscheidsbundel voor Wilterdink laat de Amsterdamse socioloog Olav Velthuis zien dat dit verhaal niet opgaat voor de jongste kredietcrisis [zie inzet]. Na 2008 is de vermogensongelijkheid tegen de verwachting in, en in tegenspraak met Wilterdinks these over het nivellerende effect van crises, toegenomen. Dat komt in de eerste plaats, schrijft Velthuis, omdat het aandelenbezit nu breder onder de bevolking is verspreid dan vroeger. Er is nu minder concentratie van aandelen bij de grotere vermogensbezitters, zodat malaise op de beurs hen minder hard raakt. Bovendien was de daling van de aandelenkoersen door snelle, grote geldinjecties van de overheid in het bankwezen minder heftig en korter van duur dan in de jaren dertig. Daar staat tegenover dat de kleinste vermogens vooral bestaan uit woningbezit. Door de crisis zijn de huizenprijzen sinds 2008 met 7,7 procent gedaald terwijl de hypotheekschulden hoog bleven, wat aan de onderkant leidde tot negatieve vermogens.

Wilterdink: “Velthuis’ bevindingen zijn belangrijk. Ze bevestigen mijn stelling dat er een structurele omslag heeft plaatsgevonden in onze samenleving en dat de nieuwe trend recessies overstijgt. Dat komt ook door de politiek. Anders dan in de jaren dertig heeft de overheid meteen enorme kapitalen ter beschikking gesteld om de banken te redden, wat juist de bezitters in hoge mate ten goede is gekomen. Je kunt zeggen dat dit is gebeurd met het oog op de hele nationale economie, maar het heeft juist de rijkeren, de vermogensbezitters beschermd.”

Wilterdink legde als eerste een verband tussen de toenemende ongelijkheid en de Fortuynrevolte. ‘Als de maatschappelijke onvrede zich niet richt tegen het grote bedrijfsleven en de onrechtvaardigheden die dit meebrengt’, zei hij drie jaar geleden tegen deze krant, ‘dan keert die zich tegen vreemdelingen die worden gezien als de bron van alle ellende, die banen zouden inpikken of juist parasiteren op de verzorgingsstaat. Als emancipatie-idealen op de achtergrond raken, gaat het onbehagen zich op die groepen richten.’

Wilterdink nu: “In zekere zin is het populisme een revolte tegen de toenemende denivellering, maar het is vooral een symbolische revolte. Men zegt niet: we gaan het internationale kapitaal aan banden leggen, nee, men zegt: we moeten onze eigen cultuur, onze eigen gemeenschap beschermen. Het is een culturele reactie die zich vooral richt tegen één aspect van die mondialisering, namelijk migratie, de buitenlanders. Die worden voorgetrokken, terwijl ze eigenlijk onze minderen zijn.”

Aan burgerschap en bijbehorende rechten, heet het tegenwoordig, moeten culturele voorwaarden worden gesteld. Niet alleen wordt in het maatschappelijk debat steeds meer belang gehecht aan cultuur, ook in de sociale wetenschap wordt cultuur steeds vaker gebruikt als verklaring voor van alles: van schoolprestaties tot stemgedrag.

Wilterdink: “Ik vind dat sommige sociologen cultuur teveel voorstellen als een zelfstandige kracht, losgemaakt van sociale verhoudingen, machtsverhoudingen. Je moet het daar altijd mee in verband brengen. Cultuur is uitwisseling van kennis, informatie en ideeën. Daarbij moet je ook geen al te scherpe grenzen trekken tussen cultuur A en cultuur B. Dat is de populaire gedachtegang: ‘die mensen hebben een heel andere cultuur dan wij’. Als je die cultuurverschillen onderzoekt, zal je constateren dat er vloeiende overgangen en geen scherpe grenzen zijn. En dat culturele grenzen in de loop van de tijd verschuiven. In een samenleving als de onze is er enorm veel onderlinge beïnvloeding, het loopt door elkaar en veel mensen weten niet eens bij welke cultuur ze nu eigenlijk horen.”

De Amerikaan Bowen Paulle biedt in de bundel tegenwicht tegen de trend om alles te verklaren met cultuur. Hij bespreekt Amerikaans onderzoek waaruit blijkt dat het ouderlijke milieu een spectaculaire invloed heeft op de woordenschat en taalvaardigheid van het kind. Wilterdink kan dat onderzoek waarderen: “Paulle vergeleek voor zijn dissertatie een school in de Bronx met een school in de Bijlmer, allebei achterstandsscholen. Hij zag enorme overeenkomsten in het gedrag van die kinderen, al is het in de Bronx net een graadje erger dan hier. Dat er verschillende ‘culturen’ bestaan, bleek alles te maken te hebben met klassenverschillen.”

De Amsterdamse hoogleraar sociologie Jan Willem Duyvendak behandelt in de afscheidsbundel de belangrijkste grieven van populisten. In het Nederlandse ‘poldermodel’ zou ongelijke toegang bestaan tot de politieke macht en de politieke elite zou de ‘eigen bevolking’ buitensluiten ten behoeve van een multicultureel ideaal [zie inzet]. Wilterdink: “Ongelijke toegang tot de politieke macht is een evident sociologisch feit, dat natuurlijk niet beperkt is tot Nederland. Er is een parlementaire democratie, maar dat betekent niet dat iedereen gelijke toegang heeft tot de politieke macht. Steeds weer wordt naar wegen gezocht om daar wat aan te doen, zonder dat er veel van terecht komt. D66 is er indertijd voor opgericht. Curieus is dat de kritiek nu komt van een partij waarin een leider alles voor het zeggen heeft. Dat is de paradox van het populisme.”

Er is inmiddels ook een academische versie van die kritiek: het boek Diplomademocratie (2010) van de bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille. Wilterdink: “Inderdaad, de politieke elite bestaat voor meer dan 90 procent uit hoger opgeleiden. Wim Kan begon al lang geleden over ‘al die doctorandussen in de Tweede Kamer tegenwoordig’. Dat dit nog sterker is geworden komt omdat steeds meer mensen, ook uit lagere milieus, hoger onderwijs zijn gaan volgen. Neem onze naoorlogse premier Willem Drees. Hij was de zoon van een bankbediende die het schopte tot stenograaf in de Tweede Kamer. Als hij later was geboren, was hij zeker academicus geworden. In de grote volkspartijen worden politici met een lage opleiding steeds zeldzamer. Het wordt steeds moeilijker om lager opgeleiden met talent en ambitie voor een politieke functie te vinden. Banketbakker Jan Schaeffer was een van de laatste.

“Het is wel begrijpelijk dat daarover ongenoegen ontstaat. Je kunt een parallel trekken tussen de revolte van de populisten en het boek van Michael Young, The Rise of Meritocracy (1958), over een opstand van lager opgeleiden die niet aan de bak komen. Maar dat is satire.”

Christien Brinkgreve e.a. (red.), Cultuur en ongelijkheid, 311 blz.,Uitgeverij AMB, 2011, € 23,50