Naar de verboden zone

Tweehonderdduizend mensen zijn uit het gebied rond de rampcentrale in Fukushima geëvacueerd . Hoe is het leven aan de rand van de verboden zone? Correspondent Kjeld Duits ging kijken. ‘In het begin was ik bang voor de straling, maar je raakt eraan gewend.’

Langs de grens van de verboden zone in Fukushima, en soms er door, kronkelt route 399, een landelijke maar belangrijke weg. Hij leidt over dichtbegroeide heuvels en bergen. Af en toe een dorp. Er is nauwelijks verkeer. Voor sommige huizen staan auto’s geparkeerd, en bij fabrieken en openbare gebouwen, maar de wegen zijn volstrekt uitgestorven. Af en toe rijdt een zwart-witte politiewagen voorbij, of een wat groter blauw politiebusje. Altijd met zwaailichten aan.

In het dorpje Katsuraomura staan zelfs geen geparkeerde auto’s. De straten zijn doods. Geen verkeer, geen mensen, geen spelende kinderen, alle winkels dicht. Zelfs midden in het dorp lijkt het of je in een groot bos staat. Alleen de kabbelende rivier en de Japanse nachtegalen verstoren de stilte, en af en toe een patrouillewagen.

Vier dagen lang rijd ik over route 399 langs de verboden zone die de Japanse regering op 21 april instelde om de bewoners te beschermen tegen de straling die vrijkwam uit de kernreactoren van Fukushima na de tsunami van maart. Twee ringen zijn het, rond het rampgebied. Een ring van 20 kilometer rond Fukushima, waarbinnen niemand mag komen. En een ring van 30 kilometer waarbinnen de bewoners zijn geëvacueerd.

Ik ga op zoek naar mensen die wonen in de schaduw van de kerncentrale. Hoe leven ze daar? Zijn ze bang? Zijn ze wanhopig of hoopvol? En hoe zit het met de radioactieve straling in het gebied?

Politiebarricades versperren de toegangswegen naar de zone van 20 kilometer rond de Dai Ichi kerncentrale, maar de buitenste zone van 30 kilometer ben ik ongemerkt binnen gereden. Als ik in een verlaten dorp mijn auto parkeer om aantekeningen te maken, stopt er een politiewagen. Drie jonge agenten met papieren maskertjes voor hun mond en neus stappen uit. „Wat doet u hier”, vraagt een van hen beleefd. Hij stelt zich voor als Ito, uit Tokio.

„Ik ben journalist en maak aantekeningen voor een verhaal”, antwoord ik even beleefd. Ik toon de volgeschreven bladzijde in mijn notitieboekje.

„Weet u dat u in de geëvacueerde zone bent?” Nee, dat wist ik niet. „Is dat een probleem”, vraag ik. „Nee hoor, maar de politie zal wel stoppen om u vragen te stellen.”

Aan het zuidelijk uiteinde van de route, buiten de ontruimde zone, ligt Yumoto, zo’n 45 kilometer van de kerncentrale verwijderd. Met zijn heetwaterbronnen en bevallige huladanseressen is de plaats al een halve eeuw een toeristische trekpleister.

Toeristen zijn nu ver te zoeken, maar het leven gaat gewoon door. Mensen lopen op straat, winkels zijn open en kinderen spelen buiten. In een supermarkt winkelen twee vrouwen met een jonge tweeling. „Net een maand oud”, zegt de moeder.

In een klein zaaltje verderop staan zo’n twintig huladanseressen te oefenen. De twintigjarige Ayaka Okawara, in een lange rok met Hawaïaans dessin, kijkt geconcentreerd naar zichzelf in de levensgrote spiegels aan de muur. Urenlang oefent ze de ene dans na de andere.

De huladansers zijn een importproduct uit de jaren zestig. Toen de plaatselijke kolenmijn dreigde te sluiten, besloot een directielid een themapark te ontwikkelen rond Yumoto’s heetwaterbronnen. Als thema koos hij Hawaï, een onbereikbare droombestemming voor Japanners in die tijd. Dochters van de mijnwerkers werden danseressen bij wat nu de Spa Resort Hawaiians heet. Miljoenen toeristen kwamen erop af en de stad kreeg een tweede leven.

Okawara en haar collega’s hopen na de nieuwe ramp op eenzelfde effect. „Zonder hula bestaat deze stad niet”, zegt ze. „Dat we nu niet kunnen dansen maakt me heel verdrietig.” De hulameisjes bereiden zich voor op de heropening van het resort, die in oktober wordt verwacht.

Hoewel haar ouderlijk huis ver weg ligt en zij daar enige weken verbleef, keerde Okawara ondanks de angst voor radioactieve besmetting toch terug naar Yumoto. Bang is ze niet meer. „In het begin wel. Mensen zeiden dat ik niet ouder dan vijftig zou worden. Maar het heeft geen zin om je steeds zorgen te maken.”

In de eerste weken na de ramp werden voedsel, water en benzine tot de grens van de gemeente gebracht. De chauffeurs waren bang voor radioactiviteit. De mensen die het gebied wilden ontvluchten, kwamen niet weg bij gebrek aan benzine. De laatste maanden is de bevoorrading weer op gang gekomen. Ook doordat het meevalt met radioactiviteit in Yumoto. „Om het half uur meten we de straling op verschillende plekken”, zegt Hidenori Koito. „De waarden liggen nu op ongeveer 0,2 microsievert per uur.” Dat is niet zo veel hoger dan het gemiddelde van 0,16 microsievert per uur in Nederland.

Hidenori Koito is voorzitter van de lokale vereniging voor ryokan, de traditionele hotels. „Bij alle hotels van Yumoto zijn de reserveringen tot aan november geannuleerd”, zegt hij. „De toeristen zijn bang.”

Buitenlandse toeristen en zakenmensen denken dat niet alleen het gebied rond de kerncentrale in Fukushima, maar geheel Japan zwaar besmet is. In april daalde het aantal buitenlandse toeristen met 62 procent vergeleken met vorig jaar. In mei lag het aantal nog 50 procent lager. Zelfs veel buitenlandse musici annuleren hun concerten.

In het fantastisch mooie Nikko, een plaats op de UNESCO Werelderfgoedlijst, meer dan 200 kilometer verwijderd van de kerncentrale, zijn de toeristenaantallen liefst 95 procent lager.

Toch zitten de 26 geopende hotels in Yumoto vol. „Er verblijven zo’n 400 geëvacueerden en meer dan 1.000 mensen die bij de kerncentrale van Tepco werken om de problemen daar op te lossen”, zegt Koito. Dat betekent niet dat het goed gaat in de branche. „Een toerist betaalt doorgaans zo’n twintigduizend yen (173 euro) per persoon per nacht”, zegt Koito. „Nu krijgen we vijf- tot zesduizend.” Bovendien zijn de kosten voor de hotels gestegen. „Vroeger bereidden we maaltijden met lokale groenten en vis, nu moeten we die van ver halen.”

De nieuwe gasten zijn geen goede reclame. „We worden nog weleens opgebeld door gewone toeristen”, zegt Koito, „maar als ze horen dat hier evacués en Tepco-werkers logeren, bedenken ze zich meteen.”

Dicht bij Yumoto ligt het haventje van Numanouchi. Meer dan drie maanden na de ramp zijn mannen en vrouwen hier nog altijd puin aan het ruimen. Drie mannen slaan met hamers op het betonnen omhulsel van een aangespoelde boei. Naast hen richt een man zijn snijbrander op een metalen geraamte. Telkens wanneer hij zijn steekvlam omlaag richt, slaat een andere man er met een grote dreun een stuk metaal af. Achter hen ligt een zwaar beschadigde boot die de tsunami op de parkeerplaats heeft geworpen.

Achter hen hebben negen vrouwen zich op een enorme kluwen visnetten geworpen. In laarzen en met lange rubberen handschoenen, maskertjes voor de mond en kapjes op het hoofd ontwarren ze met engelengeduld de verknoopte netten.

Van de twintig schepen in de vissershaven van Numanouchi hebben zeven de tsunami overleefd. „Onze problemen zijn te groot om zelf op te lossen”, zegt de 59-jarige visser Masukai Shishino. Hij staat naast een inmiddels schoongemaakte opslagplaats. Die staat nog altijd leeg, en elektriciteit is er niet. „We hebben hulp van de overheid nodig. We zijn allemaal in de vijftig en zestig. Te oud om grote sommen geld te lenen.”

Het grootste probleem voor vissers in Fukushima is de radioactieve besmetting in de kustwateren. „Eén keer per week vangen we tien verschillende soorten vis die getest worden op straling”, zegt Shishino. Hij hoopt in september weer te kunnen vissen, maar: „Ik kan niet zeggen dat de situatie beter aan het worden is.” Volgens cijfers van het ministerie van Visserij en Landbouw meet veel vis in Fukushima – ver over de 500 Becquerel per kilogram .

Langs de zeshonderd kilometer lange strook waar de tsunami het ergst heeft huisgehouden zijn 319 havens ernstig beschadigd. Hoewel sommige vissers hun schepen wisten te behouden door dwars door de golf heen te varen, zijn meer dan 21.000 schepen beschadigd of verwoest.

De visserij in Noordoost-Japan, de belangrijkste visleverancier van Tokio, waar 20 procent van de Japanners woont, is vrijwel weggevaagd. Veel havens in het rampgebied zijn nog altijd onbruikbaar doordat pieren en opslagfaciliteiten zijn verwoest en de bodem door de aardverschuiving 70 tot 150 centimeter is gezakt. Bij hoog water staan veel steden en dorpen in de prefecturen Miyagi en Iwate, ten noorden van Fukushima, gedeeltelijk onder water. In de stad Ishinomaki zijn elke dag hele wijken urenlang onbereikbaar.

Zo’n 5.000 mensen zijn inmiddels vertrokken uit de stad Iwaki, waar Yumoto en Numanouchi deelgemeenten van zijn. „Als je jonge kinderen hebt, is het heel angstig”, zegt Keiko Enomoto, een 41-jarige caissière bij een voordeelwinkel midden in de stad. De regio kampte al tientallen jaren met een uitstroom van jongeren en een grotere vergrijzing dan de rest van Japan. De angst is dit nu nog sneller gaat.

Hoewel Iwaki vlak bij de verboden zone ligt, heeft Enomoto besloten te blijven. „Ik ben ongetrouwd en de radioactiviteit is laag.” Bang is ze niet meer, zegt ze. „In het begin wel, maar vreemd genoeg raak je eraan gewend.”

Vroeg in de avond keren de mannen die bij de kerncentrale werken terug naar de hotels in Yumoto. Ze maken gretig gebruik van de openbare heetwaterbaden.

Japans heeft een speciale uitdrukking voor het naakt samenzijn in openbare baden. Hadaka no tsukiai heet het: naakte communicatie. Gedeelde naaktheid, menen Japanners, maakt mensen meer open. De gesprekken kunnen er verfrissend ongeremd zijn.

„Ik maak me geen zorgen”, zegt de 38-jarige ingenieur Suzuki uit Niigata als hij naast me zit te stomen in het hete bad. Het was een zware dag. „Het maximum van 250 millisievert geldt voor werknemers van Tepco”, legt hij uit. „Voor mijn bedrijf is het maximum 40 millisievert. We worden onmiddellijk weggehaald als we dat maximum bereiken.” Bovendien wordt hij maar voor een maand uitgezonden, zegt hij.

Onder de mensen die bij de kerncentrale werken om de koeling weer onder controle te krijgen en de schade te repareren, heerst een opgewekte atmosfeer, zegt de ingenieur. Drie maanden na de ramp is er nog volstrekt onzeker hoe lang dit gaat duren, maar de meer dan duizend werkers die er nu werken, zijn zeer toegewijd. „Enkel mensen die hier willen werken komen hier”, zegt hij. Hij krijgt direct bijval van de andere naakte mannen in het bad.

Veel media hebben de afgelopen maanden bericht over arbeiders die zonder het te weten bij de kerncentrale kwamen te werken. In mei diende een dagloner uit Osaka een klacht in nadat hij onverwachts bij de centrale werd ingezet. Hij had gereageerd op een vacature voor vrachtwagenchauffeur in de prefectuur Miyagi, enkele honderden kilometers ten noorden van de centrale. In de vacature stond niet waar de vrachtwagen heen moest.

Volgens de mannen overdrijven de media dergelijke berichten. „Je kunt onmiddellijk weg als je er niet wilt werken”, zegt ingenieur Suzuki.

De mannen zeggen zich geen zorgen te maken. Toch hebben velen hun familie niet verteld waar ze zitten. „Ik heb mijn vrouw en kinderen wel verteld dat ik in Iwaki werk”, zegt een zestiger die als wachtman bij Dai Ichi werkt, „maar ze weten niet dat ik bij de kerncentrale zit. Ik wil niet dat ze zich zorgen maken.” Zijn naam wil hij niet geven.

In Iwaki, ten zuiden van de centrale, is de stemming voorzichtig hoopvol. Maar noordwestelijk van de ontruimde zone heerst woede. De wind blies na de explosies de stralingspluim hierheen, met veel straling tot gevolg.

Iitate, een dorp op 39 kilometer ten noordwesten van de kerncentrale en buiten de ontruimde zone, kreeg op 22 april te horen dat inwoners toch moesten evacueren. Er was meer dan 40 microsievert per uur gemeten. Ze kregen een maand. Twee maanden later is eentiende van de ruim 6.000 inwoners nog altijd niet vertrokken.

Het gemeentebestuur in Iiatate is zo lang mogelijk achtergebleven om de evacuatie te regelen en beschikbaar te zijn voor achtergebleven inwoners. Kort voor zijn eigen verhuizing is burgemeester Norio Kanno vermoeid en afwezig. „Een groot probleem is dat de evacués verspreid zijn”, zegt hij. „Sommige gezinnen zijn in tweeën of drieën gedeeld.”

Zijn eigen schoonmoeder overleed kort nadat ze naar een ander ziekenhuis moest evacueren. „Ze was al zwak”, zegt Kanno, „maar dit heeft haar dood zeker versneld.”

Kanno heeft de overheid overgehaald om de inwoners van het bejaardentehuis in het dorp te laten blijven. „Evacuatie is voor hen veel gevaarlijker dan straling”, zegt hij. Die staat nu op 3 microsievert per uur buiten, en 0,15 binnen. Zolang inwoners grotendeels binnen blijven, zijn ze veilig. Personeel komt dagelijks uit andere gebieden hier naartoe.

Op een bankje voor het bejaardenhuis zit een groepje jonge mannen een sigaretje te roken. De enige beweging in Iitate komt van auto’s, niemand loopt over de eenzame landweggetjes.

Hoe lang de inwoners uit het dorp moeten wegblijven? Hoe en door wie besloten wordt wanneer men terugkan? Dat weet burgemeester Kanno niet. „Ik mag hopen dat dit zo veel mogelijk aan ons wordt overgelaten”, zegt hij. „Maar het ziet er nu naar uit dat de overheid dat besluit gaat nemen. We weten totaal niet hoe lang het gaat duren.”

Iitate is beroemd om de Wagyu, het Japans runderras dat de exclusieve steak oplevert. „Die zijn vrijwel allemaal geruimd”, zegt de burgemeester. „Het resterende vee wordt voor het eind van de maand gedood.” De locoburgemeester zal het later beamen.

Veehoudster Emiko Takahashi is verbaasd dat te horen. „Het vee is niet geruimd”, zegt ze, „het wordt geveild.” Zij veilt haar laatste koeien op 28 juni. Eerst wordt de straling van de dieren gemeten en dan worden ze verkocht. Koeien uit het verboden gebied worden over geheel Japan verhandeld. Wanneer het vlees uiteindelijk bij de consument op het bord komt, weet die hoogstwaarschijnlijk niet dat de koe in een door straling besmette zone heeft rondgelopen.

Takahashi en haar echtgenoot zijn hun kleine boerderij voorgoed aan het uitruimen. Op 24 maart zijn ze al naar een klein appartement in de stad Fukushima verhuisd, anderhalf uur rijden met de auto. Dagelijks komen ze terug om op de boerderij te werken. „Zelfs als we binnen twee jaar terug kunnen komen, zal het moeilijk zijn opnieuw te beginnen”, zegt ze.

Wat voor werk zij en haar echtgenoot gaan doen als zij hun laatste koeien hebben verkocht, weet ze niet. „Maar we zullen het zelf moeten doen, niemand helpt.”

Een baan vinden zal moeilijk zijn, want zij zijn niet de enigen die hun inkomen hebben verloren. Duizenden boeren moesten hun land verlaten. In totaal zijn er meer dan 200.000 mensen geëvacueerd.

De werkloosheid in de prefectuur is verdrievoudigd in de afgelopen drie maanden. En mensen als de Takahashi’s staan nog niet eens als werkloos te boek.

Emiko Takahashi is woedend op de overheid en op Tepco. „Ons is helemaal niet verteld wat er aan de hand was. We kregen pas veel later te horen dat we aan veel straling waren blootgesteld. Ik heb die eerste dagen notabene geholpen om voedsel te koken voor evacués die hier naartoe gevlucht waren. Als we geweten hadden dat het hier ook gevaarlijk was, waren we onmiddellijk vertrokken.”

„Het moeilijkste is dat ons gezin uit elkaar is getrokken”, zegt ze. Een van haar dochters is naar Tokio gevlucht. „Vroeger zag ik mijn kleinkinderen elke dag, nu bijna nooit meer.”

Op 500 meter hoogte ligt de kleine camping van Yuko Sugimoto. Het terrein, op een berghelling met een fantastisch panorama over de beboste vallei, ligt in het dorp Namie, deels in het ontruimde gebied. „Achter die bergen”, zegt Sugimoto terwijl ze naar de horizon wijst, „ligt de kerncentrale.” De stralingspluim is recht over haar camping gegaan.

De gescheiden Sugimoto, en een jonge man die voor haar werkt, zijn de enigen op de afgelegen camping. Toeristen komen er niet meer, de weinige buren zijn gevlucht. De evacués die hier kort na de explosies een toevlucht zochten, zijn naar veiliger oorden getrokken. „Ik heb totaal geen inkomen meer”, zegt ze.

Twintig jaar woont ze hier al, zegt ze. Ze heeft een paradijsje geschapen vol met allerlei bloemen en bomen. Ze wijst naar een houten goot waar water van afdruppelt. „Vers bergwater”, zegt ze. „Maar nu drinken we het niet meer.”

Na de explosie op 14 maart was ze buiten aan het werk. „Ik heb mijn gezicht en mijn keel verbrand”, zegt ze, „en we roken een chemische geur. Toen we later de televisie aandeden hoorden we het nieuws over de explosie. Twee uur na de explosie. Als ze het tijdens het middagnieuws hadden gezegd, waren we nooit naar buiten gegaan.”

Twee maanden lang had ze pijn. „Alsof mijn gezicht verbrand was in de zon”, zegt ze. „Ik ging naar de dokter, maar die wist niet wat het was.”

De eerste weken kregen ze helemaal geen informatie, zegt Sugimoto. „Het ministerie van Onderwijs maakte de stralingscijfers wel bekend op hun site, maar wij hadden geen internet, dus konden we die informatie niet zien.”

Radio en televisie maakten de eerste twee weken nooit melding van het dorp Namie. „De media hebben ons volledig genegeerd. Dat maakte me vreselijk bang. Ik dacht dat ik hier zou sterven zonder dat iemand het zou merken. Ik heb wekenlang gehuild.”

Maar ze laat zich niet kennen. Op haar 56ste haalt ze diploma’s voor het bedienen van heftrucks, graafmachines en kranen. De bouw is misschien de enige sector die van de ramp kan profiteren. Er is een groot tekort aan mensen die bouwmachines kunnen bedienen.

In april werd er een konijntje op haar landgoed geboren zonder oren. „Ik weet niet of het door de straling komt, maar ik vind het heel verdacht.” Nadat Sugimoto een filmpje van het oorloze konijntje op YouTube zette werd het wereldnieuws.

Een filmteam kwam langs die werkte aan een documentaire over Fukushima. „Ik nam de ploeg mee naar een plek waar ik wist dat de radioactiviteit hoog was.” Ze legden drie dosimeters op een hoop door de regen mee gespoelde bladeren; een ervan registreerde 265 microsievert per uur. Zulke uitschieters zijn hoogst lokaal. Een meter hoger wordt nog maar 20 microsievert per uur gemeten, een tiental meters verderop niet meer dan een fractie daarvan. Maar de ‘hotspots’ boezemen wel veel angst in.

Sugimoto heeft het vertrouwen in kernenergie, de overheid en de media in één klap verloren. En zij is de enige niet. De afgelopen dagen verschijnen er videoclips op YouTube waarin moeders in Fukushima vertellen dat hun kinderen sinds maart neusbloedingen hebben. De media doen volgens hen onvoldoende verslag van de situatie en daarom zoeken ze hun toevlucht op internet.

En in een land waar demonstraties nog maar zelden voorkomen, gaan nu vele duizenden mensen de straat op tegen kernenergie. Op 11 juni waren er demonstraties op 140 plaatsen in Japan. In Tokio demonstreerden zo’n 20.000 mensen, een gigantisch aantal voor Japan.

Afgelopen zondag was er voor het eerst een demonstratie in Fukushima zelf. „Eerder durfden we het niet omdat we ons zorgden maakten over straling”, zegt organisator Kaoru Watanabe. Aan het begin van de demonstratie hoopt hij op een opkomst van duizend mensen, maar uiteindelijk loopt een veelvoud daarvan door de binnenstad van Fukushima.

„Geef Fukushima terug”, schreeuwen ze. „Geef de zee terug. No more Hiroshima. No more Fukushima.”