Later kwamen de angstdromen

De zorg voor agenten met psychische problemen schiet te kort, bleek gisteren uit onderzoek. Brigadier Edwin kan er over meepraten. Na de zelfmoord van een collega sliep hij niet meer.

Brigadier Edwin (51) – zijn achternaam wil hij niet in de krant – woont in een rijtjeshuis met uitzicht op groene velden aan de rand van Zeewolde in de Flevopolder. Een lange, rustige, nuchtere man met vrouw en twee kinderen. Zeewolde heeft 20.000 inwoners en 25 man politie met een eigen kantoor. Agenten zijn doeners, zegt hij. Ze willen mensen helpen, problemen oplossen.

Op 7 augustus 2009 kreeg hij een melding van een zelfdoding. „Je gaat op de automatische piloot. Ik reed de straat in en realiseerde me toen dat het om een collega ging, die twee straten bij mij vandaan woont. Die blik van zijn vrouw in de deuropening vergeet ik nooit meer. Eén brok emotie. Hij had zich met een touw om zijn nek in de berging opgehangen. Ik heb hem door mijn collega’s laten losmaken. Ik kon het niet.

„Dan moet je het hele circus op de plaats delict opstarten. Ambulance bellen, technische recherche, misdrijf uitsluiten, mensen instrueren. Ik kende hem heel goed. Hij was een heel vrolijke joviale collega. Er was geen duidelijke aanleiding in zijn werk.”

Later kwamen de angstdromen. „Zijn blik, zijn gezicht. Hij stalkte me. Ik stond ermee op en ging ermee naar bed.” Edwin sliep niet meer, was moe, trok de nachtdiensten niet. Hij werkte de hele vakantie door en toen knapte het.

„Die zelfmoord was de druppel. Ik heb heel veel narigheid gezien. Een zware kettingbotsing in de mist met vier doden. Een mini was onder een vrachtwagen geschoven. Toen zat ik net bij de politie. Tien Poolse arbeiders in een volkswagenbusje die frontaal op een landbouwvoertuig waren geklapt. Als de schouwarts de dood constateert in het mortuarium, moet je daar als agent bij zijn.

„Ik was ook bij een brand op een camping, waar een Duitser zijn vrouw voor zijn ogen in de caravan zag verbranden. Ze lag als een zwart stuk vlees in de foetushouding, een ketting om de nek. Dan schakel je je systeem uit. Je voelt niks. Je vergeet heel veel.”

Edwin ging naar de bedrijfsarts en zat alleen maar te janken. In oktober kreeg hij een intakegesprek bij de Politiepoli in Amsterdam, die onderzoek doet naar ptss (posttraumatisch stresssyndroom) bij agenten. „Ik had er wel van gehoord, maar alleen in verband met de oorlog. Mijn vader heeft aan de Birmaspoorweg gewerkt. Daar praatte je niet over. Achteraf bezien had hij misschien ook wel ptss.” Edwin viel tien kilo af, kreeg pillen en leerde zijn emoties tonen. „Ik moest het van me afschrijven. Ze zeiden dat ik te netjes was op papier.”

Hij werd in zijn eigen regio door een therapeut behandeld. Hij kreeg aangepast werk, in de luwte, ging niet meer de straat op. Hij besloot zijn verhaal in het korpsblad te vertellen en kreeg talloze reacties van collega’s die het heel herkenbaar vonden. Hij kreeg een sportadviseur die één op één met hem trainde. Wandelen, krachttraining, een dag in de week. Het hielp.

Af en toe is Edwin nog „de weg kwijt”. „Mijn vrouw en ik zijn niet zulke praters. Ze heeft niet zoveel op met psychologen. Het leidde tot een verwijdering. Dat was naar. Nu begrijpt ze het beter.” Van ptss kun je niet genezen, zegt hij. „Je moet het een plek geven, weer rationeel gaan denken. Ik heb nu meer aandacht voor collega’s. Ik let er op. Bij de politie heerst een cultuur van ‘niet janken’, maar dat is nu gelukkig aan het veranderen.” Vroeger hadden de politiechefs meer mensenkennis, zegt Mierop. Nu zijn het meer managers.

Het beroep is zwaarder geworden. „We krijgen veel verdriet op ons bord en kunnen het vaak niet oplossen. Huiselijk geweld, geweld op straat, verziekte verhoudingen tussen ouders en kinderen. Je ziet een beerput van ellende. Ook de straatroof is enorm toegenomen. Het is zo makkelijk iemand te beroven met geweld.”

Agenten creëren een schild om zich heen en dat is maar goed ook, denkt Edwin. „We maken er natuurlijk ook grappen over. Toen er laatst brand was bij de Hema zeiden we: de rookworsten zullen wel in de aanbieding zijn.” Hij werkt nu bij de afdeling Bijzondere Wetten, die wapenvergunningen controleert. Hij houdt nog steeds van zijn werk. „Je kunt ook gewoon de pech hebben iets te vaak op de verkeerde tijd op de verkeerde plek te zijn. Mijn eerste dode was een zelfmoord op het spoor. Die man lag helemaal in stukken. De familie weet het vaak al als je voor de deur staat.”