In roerige tijden zitten er ineens wel prominente Kamerleden op cultuur

Als politicus viel tot voor kort weinig eer te behalen aan cultuur. Maar nu zijn er controverses dus worden prominenten afgevaardigd.

Premier Rutte keek vragend naar een medewerker van de Rijksvoorlichtingsdienst. Hoe heette die club uit de kunstwereld ook weer? O ja, Raad voor Cultuur. Nu, die had dus een verkeerd advies gegeven. Hij zei het namens het kabinet.

Terwijl de kunstwereld probeerde te bedenken hoe om te gaan met de klap die het kabinet die middag had uitgedeeld, kon Rutte even niet op de naam komen van de officiële adviseur van kabinet en parlement over het kunstbeleid. Het was 10 juni, aanwezig waren de journalisten die regelmatig de persconferentie bijwonen die de premier na de ministerraad houdt. Ze stelden hem nauwelijks een vraag over de bezuinigingen op de kunsten. De belangstelling ging uit naar een pensioenakkoord en bezuiniging in de zorg.

Dat heeft zeker te maken met de hoeveelheden geld die met de maatregelen gemoeid zijn. De bezuinigingen op cultuur zijn voor de sector gigantisch. Maar op de rijksbegroting is 200 miljoen niet eens zo veel. Met bezuinigingen in de zorg probeert het kabinet een kostenstijging van zo’n 3 miljard te vermijden.

Kortom, als politicus valt niet veel eer te behalen aan cultuur. Daar komt nog bij dat de politieke tegenstellingen rond het cultuurbeleid in de afgelopen decennia klein waren, waardoor de debatten vaak tam waren. Met een beroep op Rudolf Thorbecke („Kunst is geen regeringstaak”) liet de politiek de verdeling van de gelden grotendeels over aan de kunstwereld zelf. Alleen als een culturele instelling de nek omgedraaid dreigde te worden, wilden de Kamerleden wel eens wat repareren.

Die politieke tegenstellingen zijn er nu wel. Mede daarom hebben vooral de oppositiepartijen na de vorming van dit kabinet vrij prominente Kamerleden de ring ingestuurd. Voorheen lieten partijen de portefeuille cultuur graag over aan backbenchers of nieuwelingen. Nu voert oud-bewindspersoon Jetta Klijnsma namens de PvdA het woord over cultuur en wordt D66 nog altijd vertegenwoordigd door Boris van der Ham, een invloedrijk veteraan in zijn fractie. De PVV laat Martin Bosma, ideoloog en rechterhand van Wilders, de bezuinigingen doen.

Overigens groeiden de nieuwelingen die in het verleden op cultuur werden gezet, soms uit tot toonaangevende, invloedrijke Kamerleden. Staatssecretaris Rick van der Ploeg (PvdA), onder wie het kunstbudget groeide maar die de kunstsector wel provoceerde met pleidooien voor marktwerking en diversiteitsbeleid, kreeg in de Kamer weerwoord van Femke Halsema (GroenLinks), Atzo Nicolaï (VVD) en Boris Dittrich (D66).

Ook onder de huidige cultuurwoordvoerders zijn er Kamerleden die in hun partij doorgaan als veelbelovend. Zoals Bart de Liefde, die namens de VVD de bezuinigingen toejuicht. Hij noemt ze „de oplossing” voor „het structurele overaanbod van grauwe middelmaat”. En het paradoxale is: hoe harder de kunstwereld hem afserveert als barbaar, hoe meer dat zijn status binnen de partij ten goede komt. Want het argument van de liberalen om op de kunst te korten, is dat die minder afhankelijk moet worden van de overheid. Als de sector zich geschoffeerd voelt, betekent dit dat de VVD’er in de vuurlinie zijn ‘onafhankelijkheid’ bewijst.

Dat neemt niet weg dat het ook voor De Liefde te ver kan gaan. Tijdens de hoorzitting afgelopen maandag in de Kamer maakte hij er een punt van te onderstrepen hoe belangrijk hij cultuur vindt. Een bewust andere toon, zei hij. Ook zijn CDA-collega Marieke van der Werf wil niet als cultuurbasher worden weggezet. Ze distantiëren zich daarmee van PVV-collega Martin Bosma.