Hoe ik Israëldeskundige werd

Zo saai als het Israëlisch-Palestijns conflict thuis in de berichtgeving overkwam, zo heftig beleven we het ter plekke. Wie hier in de lach schiet, is al snel antisemiet. Nergens wordt zo hevig en welluidend geleden als in het Heilige Land en omstreken, schrijft P.F.Thomése.

Op een dag werd ik wakker en bleek ik te zijn veranderd in een Israël-deskundige. Dat was vreemd, want behalve nieuws over vakbonden kon ik niks saaiers bedenken dan berichtgeving over ‘het Israëlisch-Palestijnse conflict’. Het was van dat nieuws dat er altijd was en waarvan ik me afvroeg wat er in godsnaam nieuw aan kon zijn. Een paar doden hier, een paar doden daar, een ontploffinkje op een schoolplein, verscherpte controles, etc. hoe saai kon het leven zijn als het zich elders afspeelde.

Ineens zat ik in een minibus en werd ik als lid van een schrijversdelegatie door het Heilige Land en aanpalende gebieden gereden.

Ik bevond mij in het amusante gezelschap van de succesauteurs Jan Siebelink, Rosita Steenbeek en de glamourpriester Antoine Bodar. Dat laatste betekende dat ook God een plaatsje in de minibus had verworven. Je zag ’m als het ware zitten op de lege stoel naast de bestuurder. En verder reisde er een televisieploeg van de NCRV met ons mee, met oud filmmateriaal waar ze ons bij wijze van spreken maar even in hoefden te plakken, alsmede twee vertegenwoordigers van het organiserend comité, United Civilians for Peace, dat inmiddels in de vaart der volkeren is wegbezuinigd.

Wij, de leden van de delegatie, crossten niet bezwaard door enige kennis door de brandhaarden en langs de hete hangijzers van de Midden-Oostenpolitiek. Antoine had als een soort zionistisch strafwerk Recht op terugkeer van Leon de Winter op zijn schoot liggen, een ontmoedigend dikke turf waar hij niet doorheen kon komen en die hij op een gegeven moment per ongeluk expres maar ergens in het Beloofde Land heeft laten slingeren. Sieb had vooral de kaart van het Oude Testament in zijn hoofd en hoe Rosita zich precies had voorbereid is me even ontgaan. Iets met een joodse tante in Tel Aviv. Zelf had ik de country-cd van Kinky Friedman & His Texas Jew Boys meegenomen: They ain’t making Jews like Jesus anymore, alsmede de fijne holocaustklassieker Nacht van Edgar Hilsenrath.

Er was een heel programma voor ons samengesteld, met bezoeken aan Palestijnse vluchtelingenkampen in het bezette gebied op de Westbank, aan de levensgevaarlijke Gazastrook, aan de joodse nederzetting in het centrum van de Palestijnse stad Hebron, maar ook aan Jeruzalem en Tel Aviv – en aan het eind zouden we allemaal denken zoals Gretta Duisenberg. Dat laatste is een grap, zeg ik er voor de zekerheid bij, want in Israël ligt de humor, in weerwil van de joodse reputatie, niet op straat. Wie hier in de lach schiet, is al snel een antisemiet.

Je zou bijna vergeten dat het hier heeft plaatsgevonden. Hier is Jezus voor ons gestorven. Voor mij persoonlijk had het niet gehoeven, maar alla, niks aan te doen, het is nu eenmaal gebeurd.

Twintig eeuwen na dato heerst er een aanzienlijke gekte in de Heilig Grafkerk, men is er duidelijk nog steeds niet helemaal over heen. Het is een kermisachtige kerk, waar onder andere het inpandige bergje Golgotha wordt gekoesterd. Ook mijn reisgezellen worden aangestoken door de nogal protserige religiositeit van het hele geval, Antoine wil ineens met alle geweld een latijnse mis opdragen in een soort tentje waar zich het Heilig Graf schijnt te bevinden. En Sieb en Rosita willen alles aanraken wat ook door Jezus is aangeraakt (en door honderden miljoenen mensen na hem, maar dit terzijde). Er is zelfs een speciale steen, de Steen der Zalving, waar de Heiland destijds zou zijn afgelegd en waar je, aldus Antoine, een ‘aanrakingsrelikwie’ kunt scoren. Ik zie een Bulgaarsachtig mensenvrouwtje met een enorme stomerijtas schoon wasgoed over de steen wrijven. Die zit straks thuis in elk geval niet zonder. Sieb blijkt, toen ik even niet keek, voor de zekerheid zijn turqoise pochette over de steen te hebben gehaald. Baat het niet, dan schaadt het niet.

Niet alleen Christus destijds, ook de joden en Palestijnen hebben het hier zwaar te verduren. Nergens wordt zo hevig en welluidend geleden als in het Heilige Land en omstreken. Dat lijkt hier ook de hamvraag: wie lijdt het meest? Ik bedenk opeens dat die kruisiging natuurlijk Jezus’ manier was om aandacht te vragen voor zijn standpunt. Met die spijkers door zijn handen en voeten probeerde hij indruk te maken op het publiek. Helaas voor hem en zijn aanhang werd hij negentien eeuwen later ruimschoots getopt door de joden.

De shoah zit hier niemand lekker. Je krijgt de indruk dat de Tweede Wereldoorlog hier nog een staartje heeft.

Laten ze ons dan nóóit met rust? klagen de Israëli’s. Zelfs niet in ons eigen land? Was het soms niet genoeg om zes miljoen van ons man voor man, vrouw voor vrouw, kind voor kind te ontmenselijken en als genetisch materiaal af te slachten?

Maar het zijn onze joden niet, zeggen de Palestijnen tegen ons. En het is ook niet hun eigen land. Auschwitz is het probleem van Europa. Neem ze alsjeblieft weer mee en geef ze een eigen staat in Duitsland, waar de ellende immers begonnen is.

Kunnen jullie dan in godsnaam niet vreedzaam samenleven? mopperen de westerse christenlanden. Moet er dan uitgerekend in het Heilige Land, waar de Heiland de weg wees, zo’n rotzooi worden getrapt?

Elke avond, in ons hotel in het Palestijnse plaatsje Bethlehem, worden we urenlang ‘op camera’ door de NCRV doorgezaagd. De bedoeling is: emotie. De NCRV weet natuurlijk allang hoe het hier zit, ze hebben hier al vaak genoeg gefilmd, wij mogen braaf in onze eigen woorden vertellen hoe erg of het is. Snakkend naar onze welverdiende fles wijn (Bethlehem produceert uitstekende miswijnen) knakken sommigen van ons tijdens de langdurige ondervragingen.

Ik herinner mij een woedende uitval van Antoine, waarin hij de verdrijving van de Palestijnen uit hun woonsteden vergelijkt met de gebeurtenissen in het Derde Rijk. Nou nou, Antoine, kan het misschien iets minder. Nee, persisteert hij, ik zeg het gewoon. En Sieb en Rosita spreken met gebroken stem over Christus die dit toch allemaal héél anders had bedoeld. Zelf opper ik dat de Palestijnen het misschien toch ook wel een heel klein beetje aan zichzelf te danken hebben, met hun terroristische en corrupte regeringsleiders, maar dat wordt er later uitgeknipt. Het is de bedoeling dat de Palestijnen als slachtoffers worden gezien, anders klopt het format van het NCRV-programma niet meer.

Vreemd hoe al deze opinies ons van de lippen rollen, terwijl we hier toch pas een dag of twee zijn. Kennelijk nodigt dit land ertoe uit om ongegeneerd in een microfoon te gaan uitleggen hoe het zit.

Zo saai als het Israëlisch-Palestijns conflict thuis in de berichtgeving overkwam, zo heftig beleven we het hier ter plekke. Precies zoals de televisieploeg het zo graag ziet, dat dan weer wel, verdomme.

Die heftigheid van alles heeft ermee te maken dat dit hele conflict uiteindelijk een man-tegen-mangevecht is. Voor iedereen staat zijn persoonlijke leven en dat van zijn dierbaren op het spel. Iedereen heeft al iets verloren in de strijd, Jood én Arabier, iedereen vindt dat het zo wel genoeg is geweest, Palestijn én Israëli. Alleen over de oplossing is niemand het eens – wellicht omdat er geen oplossing is.

Wat de heftigheid nog eens vergroot. Geen oplossing? Dat is ondenkbaar. Er moet een oplossing zijn. Niet goedschiks, dan kwaadschiks.

Het conflict bevindt zich duidelijk in de fase van de kwaadschikse afwikkeling. Je moet zoiets maar niet in het Duits vertalen, want voor je het weet, ben je bij de Endlösung aanbeland, dat gruwelijke nazistische eufemisme.

Uitgemoord wordt er niet, zo radicaal is het nou ook weer niet. Wel is het duidelijk dat de Israëlische regering de onleefbaarheid voor de Palestijnen in de bezette gebieden actief bevordert, om op die manier het probleem op te lossen.

Op de Westbank is de zogeheten nederzettingenpolitiek het belangrijkste ‘instrument’ om de Palestijnen dwars te zitten. Het procedé is simpel. Je laat Palestijnse bouwvakkers een vinexwijk opmetselen, bevolkt de woningen met joodse gezinnen, zet er een hek omheen en stuurt het Israëlische leger om deze zionistische pioniers te beschermen tegen de terroristische haat van de oorspronkelijke bewoners, die om veiligheidsredenen verplaatst of verwijderd zijn.

Kijk, legt een orthodox-joodse kolonist, geboren in Brooklyn of New Jersey, ons uit. ‘Wij zitten hier zo’n tienduizend jaar.’ Kijk maar in de bijbel, daar staat het ook. Einde discussie, wat hem betreft.

In het andere Palestinian Territory, de Gazastrook, idyllisch gelegen aan de Middellandse Zee, zul je geen joodse kolonisten aantreffen. De enige joden die je er ziet, staan met machinegeweren de toegangsterminals te bewaken of checken vanachter kogelvrijglas de enkelingen die er nog door mogen: waarnemers van de hulporganisatie UNWRA, diplomaten en kennelijk ook leden van schrijversdelegaties uit Nederland.

Omdat wij anders ontvoerd, onthoofd en misschien wel opgegeten zullen worden, krijgen wij een speciale escorte van de Verenigde Naties, in van die witte, gepantserde Toyota’s met hemelsblauwe vlaggetjes die ik zo goed van het tv-journaal ken.

Na thuiskomst, tijdens een lezing als zelfgebombardeerde Israëldeskundige, zou ik oud-premier en Gaza-activist Van Agt tegen het lijf lopen. „Eén woord slechts, vriend, hoef ik van u te vernemen”, fluistert hij samenzweerderig en kijkt mij aan, het gezicht gefronst tot vraagteken. „Kunnen wij op u rekenen?”

Het jawoord kreeg ik niet over mijn lippen. Ik had alles gezien, ik kon niet zeggen dat ik van niets wist. Ik was dus medeplichtig geworden aan wat daar gebeurde, in dat hermetisch afgesloten concentratiekamp-landje.

Ik dacht aan de meisjesklas van het VN-schooltje in Gaza-Stad dat we hadden bezocht. De VN-blauw gehoofddoekte leerlingen hadden liedjes en toespraken ingestudeerd. We hadden ons koninklijk bezoek gewaand, met Rosita als onze koningin, al werd Sieb door de VN-juf hardnekkig gecomplimenteerd vanwege zijn sprekende gelijkenis met de slaapkameracteur Omar Sharif.

Opeens neemt een meisje het woord dat ons al de hele tijd met vurige ogen had aangekeken. Veertien jaar is ze, haar hele leven heeft zich afgespeeld op deze armzalige landstrook.

Het meisje beschouwt ons als de wereld, realiseer ik me. Wij zijn het Westen, wij zijn de vrijheid. Wij zijn Hollywood en New York en hoe-heet-het en Milaan, de liedjes zijn we, de films, de mode, de mogelijkheden, wij zijn wat zij maar wil, dream messengers zijn we voor haar, neergedaald uit Google Heaven om haar te redden, wij vertegenwoordigen alles wat zij niet heeft en wat zij alleen op beeldschermformaat kent.

Niets kunnen we haar geven. Ja, onze e-mailadressen. En dan? Ik ben op Facebook en op Twitter, zegt ze. Wil je mijn vriend worden, wil je me volgen? Ineens beginnen de andere meisjes ook. Mag ik je vriend worden? Zullen we chatten, mailen, twitteren? Keep me posted, mister, please.

Nu hadden ze nog een toekomst. Over een paar jaar zouden ze zijn uitgehuwelijkt aan zo’n baardman, waarvan we er zovelen over de stoffige straten hadden zien sloffen, met doffe, donkere moordenaarsogen. Dan zou zich om de meisjes een nieuwe gevangenis sluiten. Een gevangenis in een gevangenis wachtte hen.

Ik hoefde maar ja te zeggen, tegen het meisje, tegen Van Agt, tegen Gretta Duisenberg, en de hekken zouden omvergetrokken worden, de meisjes bevrijd. Maar ook de baardmannen die ik daar in Gaza heb zien lopen, de duizenden, zo niet tien- of honderdduizenden tot op het bot gefrustreerde moslimfundamentalisten die alleen nog in de dood geloven en die met open ogen dromen van de vernietiging van Israël.

Wie ze bij zich in huis wil nemen, mag zijn vinger opsteken. Van Agt, vriend, één woord slechts. Kunnen wij op u rekenen?

P.F.Thomése is schrijver. In 2010 reisde hij op kosten van vredesorganisatie United Civilians for Peace naar Israël en de bezette gebieden met Jan Siebelink, Antoine Bodar en Rosita Steenbeek. Op 28 juni verschijnt zijn boek Grillroom Jeruzalem.