'Delen is het tegengif tegen eenzaamheid'

Zou hij zonder hiv ook kunstmecenas zijn geworden?Bij een bord pompoenrisotto denkt Han Nefkens lang na over die vraag.

Van de honderden kunstwerken die Han Nefkens (57) de afgelopen tien jaar kocht of liet maken, hangen er zeven bij hem thuis. Dat is in Barcelona, waar hij woont met zijn Mexicaanse vriend Felipe. De rest van zijn verzameling geeft hij in bruikleen aan musea. En als hij dood gaat, mogen die zijn kunst houden. Zo nu en dan bezoekt hij zo’n museum om zijn eigen aankopen te zien. Daarom wordt Han Nefkens een mecenas genoemd, omdat hij om en aan de kunsten geeft.

Han Nefkens heeft ook de dood op de hielen. Hij is al vijfentwintig jaar seropositief, en één keer, in 2001, is het hiv-virus hem al bijna fataal geworden. Hij kon niet meer lopen, eten of praten. Alle woorden in zijn hoofd waren gewist. Voor een schrijver – hij schreef 3 romans – moet dat verschrikkelijk zijn. Een woord, schreef hij toen hij weer beter was, kon in die tijd net zo goed iets zijn waar je soep mee at. Wat was er gebeurd als Han Nefkens (57) niet seropositief was geweest? Was hij dan ook mecenas geworden? Je moet even een drempel over om de vraag te stellen. Maar hij reageert noch beledigd, noch gekwetst. Hij denkt na.

We zitten aan tafel in restaurant De Harmonie in Rotterdam, vlakbij het museumpark. Grijze getrimde baard, zwart jasje, wit overhemd en een spijkerbroek. Hij praat zacht en bedachtzaam. Alsof hij elk woord uit een kluisje haalt. Om de hoek, in Museum Boijmans van Beuningen staat zijn naam op de gevel. In de hal is een tentoonstelling ingericht over hem en zijn mecenaat. „Ik liep net even het museum binnen en dacht dat ik in een enorme spiegel keek.” Op een groot scherm wordt daar een film vertoond waarin hij al even kalm als nu vertelt over zijn leven.

Tien jaar geleden kocht hij zijn eerste kunstwerk, dat was een jaar nadat hij had besloten kunst te gaan verzamelen. „Daarvoor had ik niet zoveel met moderne kunst. Tot een vriend me meenam naar een tentoonstelling in SoHo, New York. Toen ben ik verliefd geworden.” De eerste aankoop was een zaalvullende video-installatie van Pipilotti Rist, een Zwitserse kunstenares. Die is nu te zien in het Spaanse Fundació Joan Miró.

Vangnet

Vijf jaar lang kocht hij kunst. „Kant en klare werken die al bestonden.” Een stap verder was: „Kunst geboren laten worden. Nieuw leven laten ontstaan.” Sindsdien geeft hij kunstenaars ook opdracht om kunst te maken. Enorme kunstwerken soms. Dezelfde Pipilotti Rist installeerde in Boijmans van Beuningen een gigantisch vangnet waarin bezoekers liggend naar videopresentaties aan het plafond kijken. Hij betaalt en hoeft er niets voor terug. De kunstwerken moeten alleen eens in de vijf jaar worden tentoongesteld. „Ik verzamel het niet voor het depot.”

Het tweede besluit dat hij nam, was dat hij zijn kunst wou delen met andere mensen. Maar hoe doe je dat? Hij schreef een brief aan alle museumdirecteuren in Nederland. Dat hij de mogelijkheid had kunst aan te schaffen en dat zijn belangstelling uitging naar hedendaagse kunst, fotografie, videokunst en installaties. Of de directeuren ervoor voelden samen met hem iets op te zetten. Nee. „Niemand reageerde.” Waarom zouden ze ook? Niemand in de kunstwereld die Han Nefkens kende. Hij was geen kunstenaar, geen kunsthistoricus en op dat moment nog niet eens een verzamelaar. „Ik denk dat ze niet wisten wat ze met het voorstel aan moesten.”

Eén directeur reageerde toch op zijn voorstel, dat was Sjarel Ex, toen directeur van het Centraal Museum in Utrecht en nu van Boijmans van Beuningen. Inmiddels is er in het Rotterdamse museum een complete afdeling met werken uit de H+F Collectie, genoemd naar Han en zijn partner Felipe. Samen met het museum bestuurt hij het H+F Mecenaat dat kunstprojecten bedenkt en financiert. Hij heeft een beurs voor Spaanstalige schrijvers en een voor talentvolle curatoren. Met ArtAids looft hij prijzen uit aan kunstenaars die zich laten inspireren door aids. Voor de ArtAids-tentoonstelling eind deze maand gaf hij het kunstenaarsduo Elmgreen en Dragset opdracht iets te maken dat geïnspireerd was door aids. Ze maakten een beeldhouwwerk dat de wijngod Bacchus voorstelt, met een infuus in zijn arm.

Onopvallend behendig heeft Han Nefkens ondertussen de ossenstaart op zijn bord verdeeld in vorkgrote stukjes. Eén arm en de vingers van zijn andere hand zijn onvolgroeid, al sinds zijn geboorte. „Als kind had ik er last van dat ik fysiek anders was dan de anderen. Ik had geen aansluiting, voelde me erg eenzaam.” Kwam nog bij dat het slecht op school ging. „Ik ben zo vaak blijven zitten. Ik kon me niet concentreren en droomde weg. Mijn vader vond dat ik beter kon. Ik moest dus wel lui zijn.” Hij besloot zelf van Rotterdam naar Den Haag te verhuizen, ging bij een tante wonen, omdat daar een Montessorischool was. „Ik dacht dat het beter zou gaan op een niet klassikale school.” Hij haalde zijn havo-diploma, ging in Amerika studeren, en later in Mexico. Maar het gevoel van lui- en eenzaamheid bleef. „Dat gevoel herkende ik in de kunst. In alles wat ik verzamel, is dat gevoel van eenzaamheid verbeeld. Er zit iets afwezigs in. Een foto van een halfvol bad, een afbeelding van een zojuist aangeroerde maaltijd, een lege straat met stoplichten. Alsof de mensen net even weg zijn gelopen.”

Zijn vader, nu 92, was er afgelopen donderdag bij, toen Han Nefkens van de koningin een Zilveren Anjer kreeg opgespeld. Een eerbetoon van het Prins Bernhard Cultuurfonds voor mensen die zich inzetten voor de kunst. Nefkens krijgt de onderscheiding voor zijn mecenaat. „Bijzonder en heel eervol”, vindt hij het. „Het mecenaat gaat over meer dan geld alleen. Het geld is nodig, maar je moet ook ideeën hebben, doorzettingsvermogen, de wil om samen te werken.” Liever noemt hij zichzelf ‘kunstactivist’, maar hij heeft leren leven met het woord mecenas. „Je associeert het met rijke stinkerds die hun geld uitdelen. Een oudere, gezapige man.”

Museumdirecteur Sjarel Ex vond dat hij zijn anonimiteit moest opheffen en ermee naar buiten moest komen dat hij een vermogend man is die investeert in kunst. Zit ook weinig anders op, nu het met grote letters op de museumgevel staat en het boek bij de tentoonstelling Han Nefkens. Tien jaar mecenaat heet. Nu zou hij een hoogdravend verhaal kunnen houden over hoe belangrijk het is dat vermogende particulieren investeren in kunst, zeker in tijden dat de overheid bezuinigt. Maar dat doet hij niet. „Ik geef en deel omdat het me een goed gevoel geeft. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat in de hersenen een prettig stofje wordt aangemaakt als je geeft. Delen is het tegengif tegen eenzaamheid.”

Liefde

Hoe komt hij aan geld? Han Nefkens vindt dat geen ongepaste vraag. Het antwoord is: van zijn vader. Die is architect en projectontwikkelaar. Eerst jarenlang in Rotterdam. Hij is nu in Amsterdam betrokken bij de bouw van de Piet Hein Building bij het IJ.

Zijn vader is in zijn onderhoud gaan voorzien, toen in 1987 bleek dat Han seropositief was. Han Nefkens woonde in die tijd in Mexico. Daar had hij gestudeerd – creative writing – en zijn huidige liefde Felipe ontmoet, ze waren allebei 24. En hij werkte er als radiocorrespondent, voor de Vara, de Vpro, de Ikon. Hij had een bronchitis die almaar niet over ging. Dat bleek te komen door die hiv-infectie.

„Ik kon niet meer werken. Ik kon ook niet in Mexico blijven, want daar kon ik niet behandeld worden. Ik ging naar Amerika. Mijn vader zei toen dat hij me zou helpen.” Zijn moeder was al jaren eerder, op haar 47ste, overleden aan kanker. Han, de oudste van vijf, was toen 16. Wie in de jaren tachtig besmet raakt met hiv, kreeg meestal aids en overleed. „Het was een doodvonnis.” Zijn jongere broer, ook seropositief, overleed binnen enkele maanden.

Inmiddels leeft Han Nefkens al 25 jaar met hiv. De medicijnen die het virus onderdrukken maken hem vaak moe en misselijk. Maar alles beter dan dood. Bijna was hij er niet meer geweest, toen in 2001 het virus een ontsteking veroorzaakte in zijn hersenen. Twee jaar heeft hij erover gedaan om weer te leren lopen, eten, praten. „Als ik een woord terugvond, kwam het meteen in alle talen die ik ooit kende. Engels, Spaans, Catalaans.” Over de terugkeer van wat hij een ‘wonderlijke reis’ noemt, schreef hij het boek De gevlogen vogel. Korte column-achtige stukjes over het verloop van zijn ziekte. Ene verpleger tegen de andere: ‘Wat zeg je nou tegen iemand die al weken op bed ligt en zijn mond niet opendoet?’ De ander: ‘O, ik lul maar wat, dat vindt hij allang goed.’

Zijn vader heeft de maandelijks toelage omgezet in een financiële regeling waardoor alle kinderen jaarlijks een deel krijgen van de rente van het familiekapitaal dat vader Nefkens beheert. Niet moeilijk om te raden wie het voorbeeld van geven gaf. „Hoe ouder ik word, hoe meer ik op hem blijk te lijken. Altijd met een project bezig. Gedreven. Gericht op anderen.” Onbaatzuchtig ook, want zo dol is de vader niet op de voorkeuren van zijn zoon. „Hij houdt van zestiende-eeuwse kunst en heeft weinig affiniteit met hedendaagse. In het begin vond hij het wel jammer dat ik daarin investeerde. Het siert hem dat hij me altijd heeft laten doen wat mij goed dunkt.”

Als we het restaurant zijn uitgelopen en op weg zijn naar museum Boijmans van Beuningen, komt hij terug op de vraag of hij zonder hiv ook mecenas was geworden. „Het grote voordeel van hiv is dat je verlost bent van de illusie dat je leven eindeloos zal duren.” Vlak voor hij oog in oog staat met het videoscherm waarop hij aan het praten is, broedt hij op nog een antwoord. Hij staat stil op de binnenplaats. De zwart met witte vloerschildering is in zijn opdracht gemaakt. Van zijn geld maakte kunstenaar Olaf Nicolai daar de ‘voetbalkooi’, een stalen constructie met spiegels vanbinnen. Sta je erin, dan waan je je voetballer in een stadion. „Had ik zonder hiv de waarde van delen gekend?” Hij denkt van niet. „Ik realiseer me de relativiteit van bezit. Je neemt niks mee. De kunst die ik koop, is niet van mij. Ik beheer het. Ik hoef nergens afstand van te doen, want ik heb niets.” Hij kan rustig blijven leven, zijn erfenis is al verdeeld.