De Chinese welvaart betaalt ons pensioen

Het pensioenakkoord van werkgevers, vakbeweging en kabinet is een brij zonder cijfers.

In de kern is pensioenbeheer simpel, al ervaren mensen het tegenovergestelde. Het akkoord zal hun sentiment versterken.

Pensioenfondsen moeten voor genoeg vermogen zorgen om hun toezeggingen aan werknemers en ouderen te borgen. De Nederlandsche Bank houdt daar toezicht op.

De pensioenfondsen bezitten 738 miljard euro. De verliezen van de kredietcrisis zijn overwonnen. Het vermogen wordt gevoed door de beleggingsrendementen. De pensioenpremies (25 miljard euro: tweederde werkgevers, eenderde werknemers) zijn secundair, al is juist daarover aan het slot van het pensioenakkoord nog veel gepraat.

De pensioenbeleggingen betalen de verplichtingen. Zij moeten volgens de wet beide op actuele waarde worden becijferd. Daar beginnen de onzekerheden.

Voor de beleggingen is de actuele waarde relatief makkelijk vast te stellen: je pakt de beurskoersen. Het resulterende rendement noem ik verder de beleggingsrente.

Voor de verplichtingen bestaan geen markt en geen beurskoersen. Daar neemt de pensioenwereld op last van de controlerende Nederlandsche Bank zijn toevlucht tot de langlopende rente. De ‘verplichtingenrente’ noem ik dat.

De beleggingsrente en de ‘verplichtingenrente’ bepalen de financiële positie van de pensioenwereld. De pensioenfondsen streven naar een hoge mate van zekerheid dat zij hun toezeggingen echt uitbetalen. Daarom gebruiken zij een ‘verplichtingenrente’ die zekerheid uitstraalt: rente op staatsobligaties.

Maar die rente is sinds de kredietcrisis van 2008 uiterst laag. De centrale banken hebben de rentestand zo laag mogelijk gemanipuleerd als steun voor de commerciële banken en de economie.

In theorie is de rente een voorbode van toekomstige rendementen, maar de centrale banken hebben de relatie tussen realiteit en toekomst doorgesneden. Neem het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Het gemiddeld rendement van dit fonds sinds de oprichting in 1971 is 8,2 procent. Zeker, behaalde rendementen uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst, maar de ‘verplichtingenrente’ van 3,4 procent die het fonds moet gebruiken doet geen recht aan de toekomst. Met landen als China die welvaart willen is er meer te verdienen voor bedrijven, beleggers en pensioenfondsen dan die karige 3,4 procent.

Een hogere ‘verplichtingenrente’ van 5,5 of 6 procent is gezien de gerealiseerde rendementen volstrekt logisch. Daardoor verbetert de financiële positie van de pensioenfondsen. De waarde van hun verplichtingen valt lager uit, omdat het vermogen bij een hogere rente sneller aangroeit, zodat nu minder vermogen volstaat. Voor de beleggingen maakt het niks uit.

Het mooie is: het kan gewoon zonder extra risico’s. Het huidige beleggingsbeleid bij een pensioenfonds als Zorg en Welzijn levert al genoeg geld op. De risico’s moeten wel degelijk beheerst worden met buffers tegen financiële schokken. Dat is het gelijk van dwarsligger FNV Bondgenoten. Ook pensioengigant ABP steunt in een beleidsnotitie zulke buffervorming.

In het lopende debat over het pensioenakkoord worden de extra risico’s overdreven en dé nieuwe zekerheid wordt genegeerd: Klaas Knot, de nieuwe president van De Nederlandsche Bank.

Knot (1967) heeft carrière gemaakt in het pensioentoezicht. Hij dankt zijn nieuwe baan aan de politieke perceptie dat zijn voorganger Wellink gefaald heeft in bankentoezicht. Dat zal Knot in pensioentoezicht niet laten gebeuren.

MENNO TAMMINGA