Briljante en bloedige biografie van hoofdstad van twee volken

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Deze week over bloedige oorlogen, modder en gewone, saaie jongens.

Duizend jaar lang was Jeruzalem joods, vierhonderd jaar lang christelijk, dertienhonderd jaar lang islamitisch. Niets, schrijft Simon Sebag Montefiore, maakt een plaats zo heilig als de wedijver met andere godsdiensten. Geen van de drie geloven heeft Jeruzalem zonder bloedvergieten in bezit gekregen. Jeruzalem is het huis Gods, de hoofdstad van twee volken, de tempel van drie godsdiensten, stad van het Laatste Oordeel. In het meesterlijke Jeruzalem, de biografie (Nieuw Amsterdam, 732 blz., vert. Henk Moerdijk,George Pape, Mieke Hulsbosch,€39,95) duikt steeds de vraag op: voor wie is Jeruzalem heiliger? Voor Joden, moslims of christenen? Op pagina 314 onderhandelen Richard Leeuwenhart en sultan Saladin over een eind aan de in 1190 begonnen derde kruistocht. Moslims en kruisvaarders zijn na vreselijke slachtpartijen aan het eind van hun Latijn, maar het breukpunt in de onderhandelingen is Jeruzalem. Te heilig voor beiden om ooit te kunnen opgeven. We zijn dan nog niet halverwege een kroniek van 3.000 jaar vol geweld, fanatisme en hypocrisie. Montefiore vangt zijn ‘biografie’ aan met een ijzingwekkende beschrijving van de vernietiging van Jeruzalem door de Romeinen onder Titus in het jaar 70. Dan begint de met fascinerende details opgesmukte chronologie van aartsvaders, pelgrims, kolonisten, van volksverhuizingen, geloofsvervolging, veroveringen, wederopbouw. De hoofdtekst eindigt in 1967 omdat de Zesdaagse Oorlog de huidige situatie voortbracht. Als Montefiore tot het heden had willen schrijven, zou het verhaal per uur geactualiseerd moeten worden. Zowel moslims als Joden maken onweerlegbare historische aanspraken op de stad, de christenen die langdurig de Joden vervolgden, betwisten onderling elkaars heilige plaatsen, en allen ontkennen de geschiedenis van de ander. Daarom is deze onpartijdige, grootse geschiedschrijving méér dan een briljant verteld verhaal dat meesleurt, het is ook een belangrijk boek.

Van een totaal andere orde, zij het niet minder aangrijpend en bloederig, is Modder van de Somme, oorlogsherinneringen van de Australische infanterist E.P.F. Lynch (Dulce & Decorum, 398 blz., vert. Harry Oltheten, €24,90). Wat een Barbusse of een Remarque in romanvorm deden, een aanklacht tegen de waanzinnige mensenvernietiging in de loopgraven, bereikt Lynch (1897-1980) met een eenvoudige registratie van wat hij beleefde. Hij werd als achttienjarige naar het front in Europa verscheept. Weinig van zijn makkers, primitieve en racistische bonken, overleefden. De in schoolschriften opgetekende belevenissen verschenen in 2006, misschien het laatste ooggetuigenverslag van de Eerste Wereldoorlog. Hij heeft weinig taal ter beschikking: granaten janken, het gaat van Beng! Bang! en van Boem! Beng! Recht toe, recht aan: modder en nog eens modder, lijken en nog eens lijken. Oorlog is eentonig.

Journalist en Groninger boerenzoon Sietse van der Hoek zingt zijn geboorteprovincie de lof onder de kordate titel Mijn Groningen (Atlas, 240 blz., €19,95), het verslag van een ‘Ommelandse reis’. Dorps- en streekgeschiedenissen, een scheutje nostalgie, aardappelen, koeienstront en strokarton, Ede Staal, Jan Mulder en Fré Meis, de schilders van De Ploeg komen langs. Van der Hoek bespreekt historie, geografie, architectuur, ruimtelijke ordening en springt soms van de hak op de tak, maar zijn liefde voor Groningen is er niet minder aanstekelijk om.

Het lot van Nora Lindell (Podium, 254 blz. vert. K. van Santen en M. Vosmaer € 19,50), debuutroman van het Amerikaanse short story-talent Hannah Pittard (1978), lijkt wel een commentaar op De groep van Mary McCarthy. Alleen speelt deze bloedstollende zedenschets niet aan het begin van de 20ste eeuw, maar in het heden en bestaat de beschreven ‘gang’ niet uit meisjesstudenten maar uit in 1978 geboren jongens die samen opgroeien in een provinciestad in het oosten van de VS. Saaie jongens zijn het, uit middenklassegezinnen, zonder speciale talenten en met geen andere toekomstdroom dan trouwen, kinderen krijgen en een huis met zwembad. Op hun zestiende raakt hun leeftijdgenoot Nora Lindell vermist. De rest van hun leven blijven zij fantaseren over dit roodharige buurmeisje van wie zij hopen dat ze ongeremder en spannender leeft dan zij en hun oerdegelijke echtgenotes. Hoewel Pittards naamloze verteller in de wij-vorm namens de hele groep spreekt, worden de groepsleden ook afzonderlijk geportretteerd. Duister, hysterisch en hypersensitief.