Wesley, Gerard en Frans legden zich er niet bij neer

nrc.next-redacteur Arjen van Veelen raakt niet in paniek van zijn oprukkende kaalheid.

Als kaalheid een ziekte is, dan is het de fijnste ziekte die ik ken.

Het artikel hieronder ga ik niet lezen. Niet omdat ik een volle haardos heb. Zeker niet. Mijn kop ziet eruit als de kunstwereld na de bezuinigingen.

Steeds minder shampoo heb ik nodig als ik douche, steeds meer zonnebrandcrème gebruik ik in de zomer. Mijn kruin, mijn ooit zo vitale kastanjebruine draaikolk, is niet meer; hij is neergedwarreld op kussenslopen, toetsenborden, boekenpagina’s. En het gaat maar door. Nog een korte tijd en de fjorden op mijn voorhoofd kunnen elkaar kussen.

Ik ben 31. Ik moet in blinde paniek zijn.

Maar er is hoop. Nieuwe, wonderlijke crèmes kunnen de processen stoppen; miraculeuze implantatiemethoden kunnen de tijd terugdraaien. Het kan nog: het heroveren van de fjorden, een comeback voor mijn kruin. Dit alles voor weinig.

Maar ik wil niet gered worden. De kaalslag kan wat mij betreft niet snel genoeg gaan. Ik ben er vast van overtuigd geraakt: de enige tragiek van het kaal zijn is dat er op een kwade dag een schildpad op je hoofd kan vallen.

Een schildpad, ja.

In het jaar 454 v. Chr. stierf de beroemde Griekse tragediedichter Aeschylus. Aeschylus was kaal. Niet kalend, maar káál, Wilfried de Jong-style. Op een dag zat hij buiten in de zon een meesterwerk te componeren. Boven zijn hoofd vloog een adelaar die een schilpad had gevangen. De adelaar zocht een steen om het beest te kraken. Hij spotte het spiegeldak van de poëet, meende een kei te zien en liet het prooidier vallen.

Exit Aeschylus. Een freak accident met een moraal: de dood ligt altijd op de loer.

En dat is meteen de essentie van de angst voor kaalheid. Die angst is niets anders dan angst voor verval. Voor sterfelijkheid dus. En sterfelijkheid moet je – net als haaruitval – leren accepteren. Anders heb je geen leven.

Daar helpen geen pillen tegen, dat vergt jaren training.

Mijn opleiding begon gelukkig vroeg, rond mijn vijftiende. Ik weet niet of ik toen al echt kalend was (kaalheid komt sluipenderwijs, net als een buikje). Wel weet ik dat mijn angst toen begon. Laat me alsjeblieft, bad ik stil, pas kaal worden als ik later groot ben.

Dat gebed is niet in alle details verhoord. Aanvankelijk bracht de kaalheid een onstelpbare melancholie met zich mee. Haaruitval voelde als begin van het einde, als een voorgesprek van de man met de zeis. De zomer duurt nog lang, maar de dagen worden korter, dat idee. Uiterst klote. Maar niets aan te doen.

Niets aan te doen: dat is de crux. Wie iets anders vertelt, brengt je op een dwaalspoor. Zoals de bladen. „Na het wassen mag je 250 haren in het putje vinden”, lees ik in Mens Health, „zonder in paniek te raken”. Op de cover van dat blad zie je leeftijdsgenoten desperaat voedingssupplementen slikken. Je ziet ze zwoegen in de sportschool en naar Turkije vliegen voor een cheapo haarimplantaat.

Ook de man is een zeer beperkt houdbaar lustobject. Vrouwen zeggen misschien dat kaalheid aantrekkelijk is, maar dat zijn liefdevol gefluisterde verzinsels. Ze bedoelen eigenlijk: bepáálde kale mannen zijn aantrekkelijk (Vin Diesel, of Michael Scofield in Prison Break). Kalend zijn is prima, zolang je prins William heet. Kaal + status = okay. Zoals lelijk + status dat ook is. Maar maakt dat kaalheid an sich sexy? Is Matthijs van Nieuwkerk zonder haar echt even charmant?

Ook aan wetenschappers heb je tegenwoordig weinig. Ook die verkondigen maakbaarheid. De directeur van de Leyden Academy on Vitality and Ageing, een professor, vertelde onlangs in een interview dat hij veroudering ziet als een ziekte – een ziekte die wellicht ooit te voorkomen is.

Als ook kaalheid een ziekte is, dan is het de fijnste ziekte die ik ken: eentje zonder koorts, zonder symptomen. De ziekte zit in je hoofd. De enige remedie is een Happinez-achtige berusting is.

Op de basisschool had ik een vriend, Mario. Zijn vader was kalend. Mario vertelde altijd vol trots dat als papa later volledig kaal zou zijn, hij een tatoeage zou laten zetten op zijn schedeldak. Zo’n tatoeage ga ik niet nemen. Maar verder: prachtig idee.

Mijn droom? Om op natuurlijke wijze zo kaal te worden als een zenboeddhist. En niet bang te zijn voor welke kloterige schilpad dan ook. Elke haar in de wasbak brengt mij dichter bij mijn droom.

Arjen van Veelen